In het inleidend artikel van Marja Rexwinkel wordt de algehele wetenschappelijke alsook maatschappelijke ontwikkeling van IMH op samenvattende wijze weergegeven en dit dient ook als een overzichtsartikel. Trauma en geweld op jonge leeftijd zet onze meer intermenselijke verhouding op scherp, ook op de langere termijn. Er wordt verwezen naar de ACE-studie en het belang van preventie. Onze eigen kwetsbaarheid komt, ook door wetenschappelijke studies, aan het licht en dit lijkt ook tot afwerende, ontkennende reacties te leiden. Er zijn tevens bredere economische en politieke processen die, bijvoorbeeld, gezinnen met lagere inkomens in een isolement plaatsen. De kwaliteit van relationele, psychologische aspecten worden zelden meegenomen in economische modellen. Dit heeft ook gevolgen voor de plek van IMH in onze maatschappij en de prioriteit die dit verdient.

     In het prachtig geschreven artikel van Martine van Puyvelde wordt de muzikaliteit van onze nonverbale verbintenissen op bijna poëtische alsook accurate wetenschappelijke wijze beschreven. Afstand is enerzijds, volgens Buber, een voorwaarde voor het ontstaan van het relationele, waar de mens de keuze heeft om deze te verdikken of verdunnen door Ich-Du of Ich-Es verbinding aan te gaan. Een baby is nog ingebed in de ervaring en kan deze afstand nog niet nemen, vandaar ook de verhoogde kwetsbaarheid. Er is sprake van een levensbedreigende eenzaamheid of een versmelting, wat ook op momenten in onze volwassenheid en ouderschap plotseling als ervaring weer kan opduiken, dat zich daarvoor verbergt als een impliciete herinnering in het lichaam. Ons hele lichaam, specifiek ook onze hersenen, worden meegenomen in het ritme van de relatie tussen kind en ouder. De ‘ghost in the nursery’ beïnvloedt het ouderschap en vraagt om een aandachtige benadering.

     Het idee van het ritmisch verbinden tussen baby en ouder wordt verder specifiek uitgewerkt in het artikel van Fernanda Sampaio de Carvalho, waar zij ingaat op prematuriteit en de bijkomende moeilijkheden van de ouders en in het bijzonder de emotionele pijn van de ouders. Deze bijna overweldigende kwetsbaarheid van het pasgeboren kind en de in crisis geraakte ouders zorgt voor de nodige tegenoverdracht en projectieve identificatie bij het medische team. Ook de hulpverleners worden geraakt en wederom gaat het over hoe we de relatie aangaan. De ouders staan voor de taak om opnieuw in contact te treden met hun kind en het team heeft de existentiële opdracht om zich mentaliserend kunnen leren verhouden tot de ouders, wat het vermogen van de ouders om de ontmoeting met hun kind aan te gaan lijkt te bekrachtigen.

     De verbinding tussen onze verhoudingen met elkaar, specifiek het jonge kind en de ouders, en onze lichamelijke gewaarwordingen wordt geëxploreerd door Eveline Euser en Saskia Bakker die aande hand van casuïstiek, verworven inzichten uit hun praktijk en leservaringen bij de RINO en wetenschappelijke studies de psychosomatiek pogen te begrijpen vanuit relaties. Lichamelijke klachten kunnen stress oproepen, tekenen van stress zijn en/of een symptomen van een verstoorde ouder-kindrelatie zijn. Het is geen sinecure om de signalen van het lichaam juist te duiden en de ouders en eventueel de medische hulpverlening op een nieuwsgierige en open wijze mee te nemen in deze zoektocht naar de taal van het lichaam.

     Marianne Went beschrijft een psychotraumatherapie, Ouder-Kind-Trauma Therapie, bij baby's en hun ouders, waarbij er sprake is geweest van medische ingrijpen en ingrijpende bevallingen. Haar standpunt is dat ook bij baby’s traumatische ervaringen hun sporen kunnen nalaten en dat preverbale herinneringen met de hulp van de ouders op een talige wijze bewerkt kunnen worden. Er zijn vanuit de wetenschappelijk literatuur aanwijzingen dat zeer jonge kinderen vanaf 5 maanden al woordbegrip tonen, maar wetenschappelijk onderzoek staat volgens de auteur nog in de kinderschoenen. De therapie bestaat uit EMDR met daarbij een accent op mentaliseren. Het doel is om de mogelijk verstoorde hechtingsrelatie op te bouwen en/of een nog veilige band te consolideren opdat de sociaal-emotionele ontwikkeling van het jonge kind voldoende opgang kan komen. Is het mogelijk dat zowel de ouders als het zeer jonge kind gevangenzitten in de emotionele beladenheid van pijnlijke herinneringen en dat de ouders en hun kind in een gezamenlijk cadans deze in de therapie bewerken opdat zij de rustige, veilige verbintenis met elkaar kunnen hervinden?

   In het artikel van Claudine Dietz, Janne Visser, Ina van Berckelaer-Onnes en Nienke Peters-Scheffer worden vroege interventies bij autismespectrum-stoornissen beschreven, waarbij wederom de relatie ouder-kind centraal staat als wijze waarop het kind kan reguleren. Doordat het kind door genetische aanleg en neurobiologische bijzonderheden relatief kwetsbaarder lijkt dan ‘neurotypicals’. In dit artikel wordt het belang van vroege interventies benadrukt, waarbij de ouders een zeer belangrijke rol spelen alsook de contexten waarin deze kinderen opgroeien, zoals scholen. In de beschreven interventies valt op dat het relationele, ritmische en lichamelijke telkens terugkomen.

     Elma Verboom, Mirjam Sloons en Marja Rexwinkel beschrijven een semi-gestructureerde groepstherapie voor kinderen van 0 tot 2 jaar met ouders die lijden aan persoonlijkheidsproblematiek, waarbij het beter leren mentaliseren een centrale plek inneemt. Door op een nieuwsgierige, open wijze te vragen wat het kind zou kunnen bedoelen, ontstaat er enerzijds een reflectie over de mentale toestand die schuilgaat achter de concrete behoeftes en het gedrag van hun kind en anderzijds een wellicht verhoogde tolerantie voor de onzekerheid bij de ouders. De therapeuten spiegelen namelijk in hun vragende, nieuws-gierige houding de aanvaarding van het niet-weten en onzekerheid. Om tot mentaliseren te komen, i.e. om over intenties te reflecteren, is een voldoende aandachtsregulatie en affectregulatie nodig. De therapeuten stimuleren het observeren van ouder-kindinteracties en het benoemen van gevoelens, waardoor de regulatie kan toenemen en het kind als co-therapeut wordt ingezet. Vanuit de ritmische, regulerende dans van moeder-kindinteracties lijkt mentaliseren mogelijk te worden gemaakt.

     Het prikkelende artikel van Marilene de Zeeuw is een mooie afsluiting, waar ze het spanningsveld beschrijft tussen gedragstherapie en IMH, dat meer accent legt op hechting. In dit artikel zien we nadrukkelijk het verschil tussen de Ich-Du en Ich-Es verhouding, vooral als het gaat om de eerste generatie gedragstherapie. De theoretische modellen van behandeling hebben invloed op onze denkwijze, handelen en adviezen (of onthouden van adviezen) als hulpverleners. Het is derhalve cruciaal om deze expliciet te maken. Ook de noodzaak van afstand alsook nabijheid voor het vormen van een veilige band komt aan bod, waar opnieuw het onvermogen van het kind, de kwetsbaarheid, een centrale plek heeft; en derhalve dient het jonge kind gereguleerd te worden vanuit de relatie met de ouder. Verder gaat zij in op de kloof tussen wetenschappelijke bevindingen en de behandelpraktijk.

     Afsluitend wordt in Aanbevolen een digitaal programma ‘Url&Uk in de wolken’ beschreven, dat ouders helpt om meer grip te krijgen op de emotionele buien van hun kind.


Wij hopen, namens de reactie, dat u dit themanummer met interesse en plezier zult lezen.

 

Merijn Merbis en Catherine Pannevis