2-2026 Inleiding
Uit: Vaktherapie voor kinderen en jongerenIn dit themanummer staat vaktherapie bij kinderen en jongeren centraal. In diverse bijdragen wordt geschetst hoe deze vormen van therapie worden toegepast en wat de wetenschappelijk evidentie voor deze behandelvormen voor kinderen en jongeren tot op heden is. Elke bijdrage bevat ook een vignet of een casusbeschrijving om een concreter beeld te geven van de therapie. Kinder- en jeugdpsychotherapeuten kunnen hiermee een beeld vormen van de waarde van deze benaderingen voor diverse doelgroepen en de mogelijke indicatiestelling voor deze vormen van therapie. De auteurs van de bijdragen zijn allen ervaren in de klinische praktijk en/of onderzoek met betrekking tot een of meer van de specifieke vormen van vaktherapie.
Wat is vaktherapie?
Vaktherapie is een formele verzamelnaam voor diverse vormen van therapie waarbij de ervaring centraal staat, te weten beeldende therapie, dans- en bewegingstherapie, dramatherapie, muziektherapie, psychomotorische therapie (PMT), psychomotorische kindertherapie en speltherapie (zie https://www.vaktherapie.nl/). In deze vormen van therapie wordt het kind of de jongere uitgenodigd om deel te nemen aan een specifieke activiteit – zoals tekenen, dansen of spelen. Vervolgens wordt de ervaring die het kind of de jongere hiermee opdoet, benut om een therapeutisch proces op gang te brengen en te sturen. Hoewel deze vorm van therapie door sommigen non-verbaal wordt genoemd, is dit een onjuiste typering. Immers, het woorden geven aan de ervaring kan een belangrijk onderdeel vormen van de therapie. Dit vereist wel een zorgvuldige timing van de therapeut; deze kan ervoor kiezen het kind enige tijd niet te bevragen of te helpen met het verwoorden van de beleving, om de duur van de ervaring te optimaliseren. Het op het juiste moment (helpen) verwoorden van de activiteitsbeleving is een cruciaal onderdeel van het professionele arsenaal aan klinische vaardigheden van de vaktherapeut. Vaktherapeuten zijn doorgaans geschoold in één discipline. Het uitvoeren van de therapie vereist dat de therapeut in staat is om de activiteit zo in te richten en aan te bieden, dat de beoogde ervaring ook daadwerkelijk opgeroepen wordt. Daartoe moet een beeldend therapeut in staat zijn een scala aan beeldende materialen, werkvormen en technieken te benutten, een muziektherapeut moet een hele range aan muziekinstrumenten goed kunnen bespelen, en de psychomotorisch therapeut moet een ruime variatie aan bewegingsarrangementen in kunnen zetten. De beheersing van deze vaardigheden stelt hen in staat om volledig te focussen op de cliënt en diens proces. Deze vakmatige kennis en kunde is des te meer van belang bij het behandelen van kinderen en jongeren, om goed te kunnen aansluiten bij het ontwikkelingsniveau. De beeldende, muzikale, drama-/ spel-, dans- en bewegingsvaardigheden kunnen in deze leeftijdsfase nog erg uiteenlopen. Mede daarom krijgt de praktisch-methodische kant van de discipline veel aandacht in de opleiding van vaktherapeuten. De term ‘vaktherapie’ is ontstaan bij het samengaan van twee verenigingen: de Vereniging voor Creatieve therapie (beeldend, dans, drama, muziek) en de Vereniging voor Psychomotorische Therapie. Dit leidde tot de oprichting van een federatie, nu genaamd Vaktherapie Nederland, die waakt over de kwaliteit van vaktherapie (zie https://fvb.vaktherapie.nl) en waarbij later ook de speltherapeuten en de psychomotorisch kindertherapeuten zijn aangesloten.
Vaktherapie als ontwikkelingsgerichte benadering
De toepassing van vaktherapeutische interventies bij kinderen en jongeren heeft dus een gemeenschappelijke basis door het ervaringsgericht werken. Dit vormt de basis voor het therapeutisch proces en moet ten dienste staan van de ontwikkeling van het kind of de jongere (Emck et al., 2021). Daarmee is vaktherapie in deze leeftijdsfase dus altijd ontwikkelingsgericht en toepasbaar bij een brede range van problematieken. Vaktherapie kan toegepast worden om de gestagneerde ontwikkeling bij jongeren met psychosociale problemen weer op gang te helpen. Maar ook voor jongeren met ernstiger psychiatrische problematiek kan zij vanuit dat therapeutisch proces van grote waarde zijn. Ontwik kelingspaden zijn immers variabel en grotendeels afhankelijk van omgevingsinvloeden binnen de gegeven genetische en neurobiologische basis (Uddin & Karlsgodt, 2018; Van Geert & Van Dijk, 2021). Een positieve ervaring kan daarom voor zowel kinderen met milde faalangst als voor kinderen met ernstig autisme bewerkstelligen dat zij een volgende stap in hun ontwikkeling gaan maken. De jongere met faalangst durft wellicht na PMT weer deel te nemen aan schoolsport; het kind met autisme zal misschien door beeldend werk gemakkelijker zijn belevingswereld gaan delen met significante anderen. In het algemeen kan gesteld worden dat bij vaktherapeutische interventies bij kinderen en jongeren de ervaring de basis is, zo niet een voorwaarde, voor een belangrijke ontwik kelingsstap. Dit kan aan de orde zijn op verschillende relevante domeinen. We lichten hier de motorische, emotionele en sociale ontwikkeling eruit.
Motorische ontwikkeling en bewegingsgedrag
Ontwikkeling bij kinderen is inherent verbonden met motorische ontwikkeling. Dit betreft de, primair reflexmatige, oog-handcoördinatie tot en met de vaardigheid van het kind om doelbewust zijn of haar hele lichaam te kunnen verplaatsen (Lightfoot et al., 2018). Bewegingsgedrag vereist flexibiliteit om gedurende de ontwikkeling acties te kunnen aanpassen aan veranderingen van het eigen lichaam, de omgeving en de taken (Adolph & Robinson, 2015; Bernstein, 1996). Motorische ontwikkeling is verbonden met de psychosociale ontwikkeling, omdat adaptief handelen planning, verkenning, leren en probleemoplossing met zich meebrengt. Dit vereist en bevordert de ontwikkeling van basale psychologische functies; motorische ontwikkeling is daarmee op te vatten als gedragsontwikkeling (Adolph & Hoch, 2019). In tegenstelling tot de coverte aard van perceptie, cognitie, emotie en andere psycho logische functies, zijn motorische gedragingen direct toegankelijk voor observatie. Dat maakt dat therapievormen waarbij het kind uitgenodigd wordt tot motorisch handelen uitermate geschikt zijn om de ontwikkeling van het kind, en de stagnaties of problemen die zich daarbij voor doen, te kunnen observeren. Op basis van deze gedachte zijn voor de psychomotorische therapie procedures ontwikkeld voor diagnostiek en indicatiestelling, zoals de Psychomotorische diagnostische procedure voor adolescenten (Emck, 1997) en de PsyMot voor kinderen en doelgroep specifieke varianten daarvan (Emck & Bosscher, 2010; Smit et al., 2023). Daarnaast wordt in de PMT van oudsher gebruikgemaakt van diverse tests voor motorische vaardigheid en ontwikkeling en fysieke fitheid (zie Emck et al., 2021). Niet alleen in de PMT wordt bewegingsgedrag geobserveerd in het kader van diagnostiek. Ook voor de andere vakdisciplines geldt dat het motorisch handelen een belangrijke basis vormt voor observatie en interventies. In de danstherapie bestaat een lange traditie van observatie van bewegingsgedrag die zijn oorsprong vindt in Labans bewegingsanalyse, later uitgewerkt in het Kestenberg Movement Profile (Samaritter et al., 2021). Rosemarie Samaritter bespreekt in dit themanummer hoe deze binnen diagnostiek van dans-bewegingstherapie worden toegepast en hoe de dans-bewegingstherapeut de interventies op een ervaringsgerichte wijze afstemt op de specifieke bewegingspatronen van de client. Ook in dramatherapie vindt observatie van bewegingsgedrag plaats, bijvoorbeeld als het kind wordt uitgenodigd om een hut te bouwen van diverse materialen (zie https:// detess.nl). Motoriek speelt in de vaktherapie tevens een belangrijke rol bij het uiten en reguleren van emoties. De therapeut vraagt een kind bijvoorbeeld krachtige krijtstrepen op karton te zetten, hard of heel subtiel te trommelen, of gedoseerd te boksen. Ook dan ligt het motorisch handelen ten grondslag aan de ervaring en het verdere therapeutisch proces.
Emotionele ontwikkeling
Vaktherapeutische interventies dragen bij aan emotionele ontwikkeling. Exploratie, expressie en symbolisatie worden daarbij als werkzame elementen beschouwd om veran deringen te bewerkstelligen op het gebied van emoties zoals stemming, angst en boosheid (Van Hooren et al., 2026; De Witte et al., 2017). Ingrid Penzés presenteert in haar artikel een methode van systematische observatie in beeldende therapie om indicaties en doelen te bepalen. In de bijbehorende casusbe schrijving staat een sociaal angstige adolescente met een beperkte toegang tot affectieve belevingen centraal. Sonja Aalbers beschrijft in dit themanummer hoe improvisatorische muziektherapie kan inspelen op emotieregulatie en depressieve klachten kan reduceren. In deze interventie maken cliënt en therapeut muziek op basis van eigen improvisaties, waarbij de cliënt zich uitdrukt in de muziek, in het muzikale spel kan exploreren wat passend voelt en vanuit de muziek leert te voelen wanneer in actie te komen. Een ander voorbeeld komt aan de orde in het artikel van Susan van Hooren en collega’s. Hierin wordt ingegaan op een brede vaktherapeutische interventie die focust op een onderliggende basis om de emotionele ontwikkeling te kunnen bevorderen of onder steunen. Door ervaringsgerichte technieken kan de client zich uitdrukken in spel, beeldend werken, muziek, dans of beweging en op een veilige en gestructureerde manier gevoelens verkennen en leren reguleren.
Sociale ontwikkeling
In de kindertijd en de adolescentie is het deelnemen aan activiteiten een belangrijke basis om relaties met leeftijdgenoten en volwassenen aan te gaan (Pulkinen et al., 2006). Binnen vaktherapie kunnen juist door het inzetten van handelingsgerichte interventies nieuwe ervaringen worden opgedaan en kan geoefend worden met nieuw gedrag.
Marij Berghs en Anna-Eva Prick bespreken in dit themanummer bijvoorbeeld hoe dramatherapie kan bijdragen aan het verbeteren van het sociaal functioneren. Voor kwetsbare kinderen en jongeren is het van groot belang dat zij positieve ervaringen kunnen opdoen in een psychologisch veilige omgeving. Dit heeft expliciete aandacht binnen vaktherapeutische interventies, waar vanuit succeservaringen in de activiteit bij kan worden gedragen aan het versterken van zelfvertrouwen en zelfcontrole (Metsäpelto et al., 2010). De vaktherapeut zal in de context die gecreëerd wordt, aansluiten bij de sociaal-emoti onele ontwikkeling van het kind of de jongere en deze trachten te bevorderen. Zo kan vaktherapie individueel, met het gezin, of in een groep plaatsvinden. Tijdens de activiteit is er altijd een vorm van interactie. In individuele therapie kan de therapeut een volgende of meer directieve houding aannemen en daarmee de interactie beïnvloeden. Denk aan de danstherapeut die het kind volgt en spiegelt in zijn beweging. Of de psychomotorisch therapeut die in een boksoefening de jongere vraagt om tegenspel te geven op achter eenvolgens 50%, 75% en 100% van zijn kracht. De attitude van de therapeut wordt dan direct verbonden met, en vormgegeven in, de activiteit. De interactie van de therapeut met het kind of de jongere vormt daarmee voor een belangrijk deel de opgeroepen ervaring. Zo kan het kind dat gespiegeld wordt door de danstherapeut dit beleven als gezien, en herkend worden. De boksende jongere kan de ervaring opdoen dat hij in staat is om gecontroleerd tegenkracht te bieden. Beide ervaringen kunnen een belangrijke stap zijn in het (weer) op gang brengen van de sociaal-emotionele ontwikkeling. Het (helpen) verwoorden van de ervaring kan eveneens een belangrijk therapeutisch element zijn: voor jonge kinderen in concrete taal en voor adolescenten meer op abstract niveau en in dienst van de transfer naar buiten de therapiezaal. Dit wordt ook benoemd in het artikel van Susan van Hooren en collega’s in dit themanummer. Wanneer vaktherapie als gezinstherapie wordt aangeboden, staan de interacties van de gezinsleden centraal. Er wordt een veilige context gecreëerd die aansluit bij het ontwik kelingsniveau van kind en gezin, waarbij de therapeut een open en geïnteresseerde attitude aanneemt (Visser et al., 2021). Zo beschrijven Inge Zomervrucht en Tina Bellemans in dit themanummer hoe psycho motorische gezinstherapie kan bijdragen aan gedeelde succeservaringen en het doorbreken van oude patronen. In groepstherapie kunnen individuele activiteiten in de groep worden uitgevoerd of kunnen activiteiten samen gedaan worden. In beide gevallen zal de sociale context meespelen in hoe het kind in actie komt en hoe deze ervaren wordt. Wanneer een activiteit individueel in de groep wordt gedaan, bijvoorbeeld het maken van een lichaams tekening, kan dit achteraf besproken worden. De therapeut kan dan de jongere helpen om zich in de bespreking tot elkaar te richten en zo herkenning en onderlinge steun bevorderen. Wanneer de therapeut de onderlinge afstemming van kinderen wil bevorderen, kan zij kiezen om de kinderen juist samen iets te laten doen: bijvoorbeeld op hetzelfde ritme muziekklanken maken. Daarmee kan in de activiteit een ervaring van gezamenlijkheid en afstemming worden opgeroepen. Verbaliseren is dan soms minder aan de orde. In beide gevallen is echter de opgeroepen ervaring ingebed in een sociale omgeving, waarbij de interactie met leeftijdgenoten voorop staat. In deze interactie komen diverse aspecten van de sociaal-emotionele ontwikkeling naar voren – zoals zelfbeeld, autonomie, vertrouwen – die vervolgens in de therapie bewerkt kunnen worden.
Tot slot
De ontwikkelings- en ervaringsgerichte werkwijze maken vaktherapeutische interventies bij uitstek geschikt voor kinderen en jongeren. Deze vormen van therapie zijn enerzijds minder afhankelijk van het vermogen tot verbaliseren en abstraheren dan reguliere psychotherapie, en kunnen er anderzijds juist aan bijdragen dat jongeren woorden leren geven aan hun ervaringen. Het creëren van een juiste context om ervaringen uit te lokken en het therapieproces te sturen, is daarbij essentieel. Een goede samenwerking tussen vaktherapeut en psychotherapeut met kennis van elkaars expertises biedt veel mogelijk heden om therapeutische processen bij kinderen en jongeren optimaal te laten verlopen. We zijn blij dat we met dit themanummer hier een bijdrage aan leveren om zodoende passende zorg te kunnen bieden voor kinderen en jongeren.
REFERENTIES
Adolph, K. E. & Hoch, J. E. (2019). Motor Development: Embodied, Embedded, Enculturated, and Enabling. Annual Review of Psychology, 70, 141-164.
Adolph, K. E. & Robinson, S. R. (2015). Motor development. In L. Liben & U. Muller (Eds.), Handbook of Child Psychology and Developmental Science, 7th ed., vol. 2, pp. 114-157. Wiley.
Bernstein, N. A. (1996). On dexterity and its development. In M. L. Latash & M. T. Turvey (Eds.), Dexterity and Its Development, pp. 3-244. Lawrence Erlbaum Assoc.
De Witte, M. J., Bellemans T., Tukker, K., & van Hooren, S. (2017). Vaktherapie. In J. de Bruijn, J. Vonk, A. van den Broek, & B. Twint (red.), Handboek emotionele ontwikkeling en verstandelijke beperking, pp. 277-290. Boom.
Emck, C. (1997). Een diagnostische procedure voor psychomotorische therapie. Bewegen & Hulpverlening, 14, 127-140.
Emck, C. & Bosscher, R. J. (2010. PsyMot: an instrument for psychomotor diagnosis and indications for psychomotor therapy in child psychiatry. Body, Movement and Dance in Psychotherapy, 5(3), 244-256.
Emck, C., de Lange, J., Scheewe, T., van Busschbach, J., Van Damme, T. (2021). Psychomotor interventions for mental health. A movement and body oriented developmental approach. Boom.
Lightfoot, C., Cole, M., & Cole, S. (2018). The development of children. Worth publishers.
Metsäpelto, R., Pulkkinen, L. & Tolvanen, A. (2010). A school-based intervention program as a context for promoting socioemotional development in children. European Journal of Psychology of Education, 25, 381-398. https://doi.org/10.1007/s10212-010-0034-5
Pulkkinen, L., Kaprio, J., & Rose, R. J. (Eds.), (2006). Socioemotional development and health from adolescence to adulthood. Cambridge University Press.
Samaritter, R. & van Keulen, I. (2020). Danstherapie. Acco.
Smith, P. (2010). Children and play. Wiley-Blackwell.
Smit, M. J., Emck, C., Scheffers, M., van Busschbach, J. T., & Beek, P. J. (2023). The impact of sexual abuse on body experience in adults with mild intellectual disability or borderline intellectual functioning. Journal of Intellectual & Developmental Disability, 48(3), 224-333. https://doi.org/10.3109/13668250.2 022.2158725
Uddin, L. Q. & Karlsgodt, K. H. (2018). Future directions for examination of brain networks in neurodevelopmental disorders. Journal of Child and Adolescent Psychology, 47(3), 483-497.
Van Geert, P., & van Dijk, M. (2021). Thirty years of focus on individual variability and the dynamics of processes. Theory and Psychology, 31(3), 405-410. https://doi.org/10.1177/09593543211011663
Van Hooren, S., Abbing, A., & Waterink, W. (2026). Active elements, effects, and working mechanisms of creative arts therapies in forensic psychiatric care: a realist review. Frontiers in Psychiatry, 16, article 1745054. https://doi.org/10.3389/fpsyt.2025.1745054
Visser, M., Hillewaere, B., & van de Veen, E. (2021). Psychomotor family therapy: a system-oriented approach. In C. Emck, J. de Lange, T. Scheewe, J. van Busschbach & T. Van Damme, T. (Eds.). Psychomotor interventions for mental health. A movement and body oriented developmental approach, pp. 371-389. Boom.