Inleiding

Iedereen die wel eens iets doms heeft gedaan of gezegd in bijzijn van anderen of zich er van bewust is iets niet te kunnen wat de meesten wel kunnen, zal zich een pijnlijk gevoel van schaamte herinneren. Schaamte behoort met de emoties trots, gêne (embarrassment) en schuld tot de familie van zelfbewuste emoties die aanzetten tot zelfreflectie en zelfevaluatie (Tangey, 2003). Het gevoel van trots treedt op als we iets bereikt hebben dat we op het conto van onze persoonlijke competentie kunnen bijschrijven. Als we echter tekort-schieten (of verwachten tekort te zullen schieten) ervaren we negatieve zelfbewuste emoties als gêne (zich opgelaten voelen), schuld of schaamte. Bij schaamte, meer nog dan bij schuld of gêne, wordt ons gehele zelf onderwerp van evaluatie. Omdat schaamte zo nauw verbonden is met de zelfwaardering (‘ik schaam mij dood’) en/of de reactie van anderen (‘je moest je schamen’) is het niet altijd eenvoudig om hiermee om te gaan.

     Ook kinderen maken dit geregeld mee. Maar niet elk kind wordt in dezelfde mate geraakt door kritiek, falen of afwijzing. Wat maakt dat het ene kind beter bestand is tegen deze pijnlijke ervaringen dan het andere kind? Kan het zijn dat er wellicht verschillen zijn in de zelfwaardering en regulatiestrategieën die het kind gebruikt om de zelfwaardering op peil te houden?

     In deze bijdrage sta ik stil bij de zelfbewuste emoties, in het bijzonder bij schaamte, en regulatiestrategieën die nauw samenhangen met zelfwaardering. Daarna zal ik een vertaalslag maken naar de praktijk van de psychotherapie. Maar eerst een korte uitstap naar de basale emoties die belangrijke motivatoren zijn voor ons gedrag: ‘Eerst was ik verbaasd, daarna werd ik boos en vervolgens verdrietig.’ (Frijda, 2008).

 

Basale emoties

Sylvan Tomkins (1962/2008) is een van de belangrijkste pioniers op het gebied van basale emoties. Hij onderscheidde zes biologisch bepaalde emoties, met voor elke emotie een milde en een sterke intensiteit: 1) verbazing overgaand in schrik (surprise-startle); 2) verwarring overgaand in angst (distress-anguish); 3) boosheid overgaand in woede (anger-rage); 4) blijheid overgaand in vreugde (enjoyment-joy); 5) interesse overgaand in opwinding (interest-excitement); 6) angst overgaand in paniek (fear-terror). Veel moderne emotietheorieën zijn op het werk van Tomkins gebaseerd.

     Tegenwoordig wordt in onderzoek de volgende set van basale emoties gehanteerd namelijk blijdschap, verdriet, angst, boosheid, verbazing, minachting en walging. ‘Interesse’ zoals door Tomkins werd gehanteerd is uit die set verdwenen en ‘walging’ en ‘minachting’ zijn eraan toegevoegd. Kenmerkend voor de basale emoties is dat ze unieke en universeel herkenbare gezichtsuitdrukkingen hebben die in alle culturen hetzelfde zijn, zoals onder andere door Paul Ekman (2008) is aangetoond.

     De neurowetenschapper Antonio Damasio (2010) beschouwt basale emoties als complexe, grotendeels geautomatiseerde handelingstendensen die in de loop van de evolutie zijn ontstaan. De wereld van emoties is dus grotendeels een wereld van acties die in ons lichaam worden uitgevoerd, van gezichts-uitdrukkingen en houdingen tot veranderingen in het interne milieu, en die aangevuld worden door allerlei ideeën en vormen van cognities. Anderzijds zijn gevoelens van emoties het resultaat van samengestelde waarnemingen van wat in ons lichaam en in onze geest gebeurt wanneer we emotioneel handelen. Gevoelens zijn dus niet zozeer acties maar voorstellingen van acties, uit-gevoerd in de kaarten van onze hersenen. Met andere woorden: emoties zijn acties die met ideeën en denkwijzen gepaard gaan, terwijl emotionele gevoelens voornamelijk waarnemingen zijn van wat ons lichaam doet als we geëmotioneerd raken (‘het zweet brak mij uit’, ‘ik trilde van woede’ of ‘mijn hart bonkte in mijn keel’), en de waarneming van onze geestestoestand gedurende zo’n periode van emotionele gevoelens.

     Basale emoties kunnen zeer snel opkomen, zo snel zelfs dat ons bewuste zelf er niet aan te pas komt. De snelheid waarmee emoties kunnen optreden kan ons leven reden maar ze kunnen ook ernstige schade berokkenen. Emoties kunnen aanzetten tot gepast gedrag maar ook tot gedrag waarvan we naderhand verschrikkelijk spijt hebben (Ekman, 2008). Het belang van emoties valt dus moeilijk te overschatten. We proberen de ervaringen van positieve emoties te maximaliseren en de ervaringen van negatieve emoties te minimaliseren.

     Kortom, mensen willen gelukkig zijn en de meesten van ons willen geen angst, verdriet of afschuw beleven. Basale emoties zetten echter niet alleen aan tot zichtbaar waarneembaar gedrag zoals bescherming zoeken, vechten of bevriezen bij angst of het delen van blijdschap met anderen, maar zetten ook aan tot ‘innerlijk gedrag’. Bij angst kan dat bijvoorbeeld leiden tot zelfkritiek ‘ik ben een angsthaas’ of bij wanhoop en verdriet kan zelfs de wil om te leven teniet gedaan worden: ‘het leven heeft geen zin meer voor mij’. Emoties moeten daarom vooral begrepen worden als aanzetters tot actie in welke vorm dan ook (Schalkwijk, 2011).

 

Zelfbewuste emoties

Hierboven is er al kort op gewezen dat zelfbewuste emoties aanzetten tot zelfreflectie en zelfevaluatie. Dit vereist echter de aanwezigheid van een zelfrepresentatie ofwel een beeld van zichzelf. Vanuit het ontwikkelings-psychologisch perspectief weten we dat kinderen niet eerder dan halverwege de lagereschoolleeftijd in staat zijn tot globale zelfevaluaties. Ze zijn dan pas bewust bezig met de implicaties die gebeurtenissen en ervaringen, zoals de waardering van de eigen competenties en de positie in de groep door (sociale) vergelijking, hebben voor het zelfbeeld en de zelfwaardering (Harter, 2006a). Een belangrijke functie van zelfbewuste emoties is het bereiken van sociale doelen, dat wil zeggen de sociale status behouden of de afwijzing door de groep te voorkomen (Keltner & Buswell, 1997). In deze zin hebben zelf-bewuste emoties ook een signaalfunctie. In tegenstelling tot de basale emoties hebben zelfbewuste emoties geen unieke en herkenbare gezichtsuitdrukkingen. Het is wel mogelijk om voor een aantal emoties zoals trots, schaamte of gêne typerende lichaamshoudingen en hoofdbewegingen te beschrijven in combinatie met gezichtsuitdrukkingen (Tracy & Robins, 2007).

     We ervaren zelfbewuste emoties over het algemeen alleen als we ons bewust worden dat we aan onze reële of ideale zelfrepresentatie hebben voldaan of tekortgeschoten zijn. Gebeurtenissen die niet het proces van zelfevaluatie activeren, leiden tot basale emoties. Het winnen van de loterij activeert bij de meeste mensen waarschijnlijk blijdschap (niveau van basale emoties) terwijl het verliezen van een wedstrijd naast teleurstelling ook aanzet tot zelfevaluatie: ‘waar ben ik tekortgeschoten en waar heb ik gefaald?’ (niveau van zelfbewuste emoties).

     We zagen al dat door de activering van zelfevaluatie zelfbewuste emoties ontstaan. Van belang is of een gebeurtenis van invloed is op ‘de persoon die ik ben of zou willen zijn’. Ontbreekt dit belang voor de zelfrepresentatie, dan blijven zelfbewuste emoties achterwege. Is de gebeurtenis echter wel belangrijk voor het beeld dat iemand van zichzelf heeft of zou willen hebben en wordt de oorzaak ervan bovendien aan zichzelf toegeschreven, dan leidt dit tot zelfbewuste emoties. Afhankelijk van dit evaluatieproces zullen de zelfbewuste emoties positiever zijn als ze meer in overeenstemming zijn met de eigen ideeën over zichzelf en negatiever als ze te zeer afwijken van ‘wie ik ben of zou willen zijn’ (Tracy & Robins, 2007).

     Zoals gezegd worden tot de familie van de zelfbewuste emoties schaamte, schuld, gêne en trots gerekend. Schaamte ervaren we als we de oorzaak (attributie) van een gebeurtenis aan onszelf toeschrijven: ‘ik ben een dom persoon’. Schuld ervaren we als we de nadruk leggen op negatieve aspecten van ons gedrag: ‘ik heb niet mijn best gedaan’. Schaamte vereist stabiele en globale attributies, terwijl bij schuld juist instabiele en specifieke aspecten van het zelf worden aangesproken. Gêne ervaren we alleen in bijzijn van anderen, ‘struikelen tijdens het dansen’ of bij de publieke blootstelling van de eigen incompetentie. Bij gêne is er sprake van een discrepantie tussen de publieke zelfrepresentatie en het private zelf. Wat de zelfbewuste emotie trots betreft wordt in de literatuur onderscheid gemaakt tussen authentieke trots en overmoed (Lewis, 2000; Tracy & Robins, 2007). Authentieke trots ervaren we als we iets bereikt hebben dat we op het conto van onze persoonlijke competentie kunnen bijschrijven: ‘ik ben er trots op dat ik mij niet heb laten verleiden om te spijbelen, hoewel ik het makkelijk had gekund’. Overmoed daarentegen is een heel grote of uitgedijde trots die dicht tegen narcisme aanligt: ‘ik ben er trots op dat ik zo’n goed mens ben’. Authentieke trots verwijst vaak naar instabiele attributies terwijl overmoed het resultaat is van interne stabiele aspecten van het zelf.

     Hier moet een kanttekening geplaatst worden: uit het voorgaande zou ten onrechte opgemaakt kunnen worden dat zelfbewuste emoties stap voor stap in een reeks bewuste afwegingen ontstaan. Dit is natuurlijk niet het geval. Veel van de attributies die iemand aan zichzelf toekent zijn in de loop van de ontwikkeling geautomatiseerd en leiden tot wat Tracy en Robins (2007) noemen: ‘impliciete afwegingen’ waardoor eerder sprake is van een continuüm van meer of minder zelfbewuste evaluatieve processen dan van uitsluitend bewuste afwegingen. Daarom worden zelfbewuste emoties direct herkend en gevoeld.

 

Gezonde versus kwetsbare positieve zelfwaardering

Zelfbeeld en zelfwaardering zijn belangrijke psychologische concepten die verwijzen naar gedachten en gevoelens die een persoon over zichzelf heeft (Harter, 1999). Zelfbeeld en zelfwaardering worden vaak gepresenteerd in termen van tegenstellingen, zoals een positief versus negatief zelfbeeld of een hoge versus lage zelfwaardering. Mede onder invloed van de toegenomen belangstelling voor de cognitieve en affectieve mechanismen die een rol spelen bij de regulatie van het zelf, worden zelfbeeld en zelfwaardering tegenwoordig steeds meer beschreven in termen van gezond versus kwetsbaar (Kernis, 2003). Een gezonde zelfwaardering of een gezond zelfbeeld, zo wordt verondersteld, heeft een stevige basis in de realiteit en draagt bij tot het psychologisch welbevinden van een persoon. Een kwetsbaar positief zelfbeeld of een kwetsbare zelfwaardering mist echter die basis en is vaak gerelateerd aan psychische problemen (Kernis & Goldman, 2003).

     Verondersteld wordt dat kinderen met een gezonde zelfwaardering over het algemeen tevreden zijn met zichzelf: ‘ik voel mij goed over mijzelf, en over de persoon die ik ben’ (Harter, 2006a). Zij zijn intrinsiek gemotiveerd om goede prestaties te leveren en de eigen competentie te vergroten. Relaties met anderen worden gekenmerkt door wederzijds vertrouwen, respect en begrip. Positieve uitkomsten worden niet gezocht omwille van hun implicaties voor de zelfwaardering, maar zijn een afspiegeling van de eigen vaardigheden en interesses. Dit wil niet zeggen dat deze kinderen zichzelf uitsluitend positieve kwaliteiten toedichten of altijd tevreden met zichzelf zijn. Ze zijn zich heel goed bewust van de dingen die niet zo goed gaan. Minder goede prestaties en kwaliteiten worden in het zelfbeeld geïntegreerd zonder dat de positieve zelfwaardering voor langere tijd wordt aangetast (Kernis, 2003; Stegge & Thomaes, 2007).

     Niet alle kinderen beschikken echter over een gezonde zelfwaardering die stevig genoeg is om het persoonlijke tekortschieten te kunnen verdragen. Een bijzondere vorm van een kwetsbare positieve zelfwaardering is narcisme. We beschouwen narcisme als het prototype van een ogenschijnlijk positieve maar kwetsbare zelfwaardering. In extreme vorm is narcisme een persoonlijkheids-stoornis waarbij sprake is van een diepgaand gevoel van grootsheid, een sterke behoefte aan bewondering, zichzelf zien als uniek, het gevoel recht te hebben op een speciale behandeling, een gebrek aan inlevingsvermogen en arrogantie (APA, 2000).

     In de recente literatuur wordt persoonlijkheidsproblematiek echter in toenemende mate beschreven in termen van dimensionele modellen die de nadruk leggen op persoonskenmerken waarop mensen kunnen variëren zonder dat er sprake is van pathologie (Clark, 2007). Volgens Morf en Rhodewalt (2001) wordt het ‘normale narcisme’ gekenmerkt door zowel gevoelens van superioriteit als gevoelens van kwetsbaarheid, ingegeven door de preoccupatie met de mening van anderen. Thomaes e.a. (2008) hebben laten zien dat de kenmerken van narcisme bij kinderen van acht jaar en ouder vergelijkbaar zijn met die van volwassenen. Kinderen met een narcistisch zelfbeeld hebben een groot ego. Op persoonlijk vlak betekent dit dat successen sterk worden benadrukt en dat falen wordt ontkend of geminimaliseerd. In contact met anderen is superioriteit belangrijker dan gelijkwaardigheid (Harter, 2006b). Het uitblijven van succes en bewondering of de uiting van afkeuring door de omgeving heeft direct invloed op de zelfwaardering: ‘als ik gefaald heb kan ik mij niet goed voelen over mezelf’. Anderzijds wordt de zelfwaardering onmiddellijk positief beïnvloed als het gewenste resultaat bereikt wordt: ‘als ik succes heb, kan ik mij goed voelen over mezelf’ (Thomaes e.a., 2009).

     Güldner en collega’s (2010) hebben in een onderzoek onder 265 kinderen uit groep 7 en 8 een aantal kenmerkende aspecten van de kwetsbare positieve zelfwaardering in kaart gebracht. De resultaten van dit onderzoek bevestigden de hiervoor beschreven bevindingen. Zo bleek de kwetsbare positieve zelfwaardering, narcisme, een duidelijk te onderscheiden zelfbeeldvariant te zijn die niet samenhangt met een gezonde zelfwaardering. Ook werd een aantal kenmerkende aspecten gevonden die wel van toepassing zijn op de kwetsbare positieve zelfwaardering maar niet kenmerkend zijn voor een gezonde zelf-waardering. Kinderen met een narcistische zelfwaardering rapporteren een hogere zelfcompetentie maar tegelijk blijkt dat hun zelfwaardering sterk afhankelijk is van tijdelijke succes- of faalervaringen. Ze zijn gevoelig voor negatieve ervaringen als sociale afwijzing en falen, of het uitblijven van de gewenste bekrachtiging. Dit verklaart mogelijk waarom kinderen met een kwetsbare positieve zelfwaardering op bedreiging van de zelfwaardering reageren met ontkenning, externaliseren en soms zelfs met agressie (Bushman & Baumeister, 1998; Thomaes e.a., 2007). Dit geldt niet voor kinderen met een gezonde zelfwaardering.

     Dit wil niet zeggen dat kinderen met een gezonde zelfwaardering immuun zijn voor de emotionele consequenties na faalervaringen of negatieve evaluaties. Echter, de emotionele gevolgen leiden niet tot zelfdevaluerende emoties of verslechtering van het gevoel van eigenwaarde zoals bij de kwets-bare narcistische zelfwaardering. Het hebben van een gezonde zelfwaardering is dus een goede basis om lering te trekken uit negatieve ervaringen om zo de eigen competenties te vergroten en zich verder te ontwikkelen. Daarentegen lijkt de zelfwaardering van narcisme, het prototype van de kwetsbare positieve zelfwaardering, chronisch in de steigers te staan omdat het fundament ontbreekt (Morf & Rhodewalt, 2001).

 

Nogmaals over schaamte

Van de zelfbewuste emoties is schaamte de krachtigste omdat je je er niet aan kunt onttrekken. Schaamte is een bijzonder pijnlijke emotionele ervaring die je tot in je tenen voelt: je wordt warm, je voelt de aandacht op je gericht en je zou wel door de grond willen zakken. Zelfevaluatie en de reactie van anderen zijn de twee bronnen die schaamte kunnen uitlokken. Een situatie die aanzet tot zelfreflecties is bijvoorbeeld als de conclusie van de zelfevaluatie is dat je als persoon tekortschiet: je voelt je slecht, onhandig, dom, zwak of lelijk en dit kan consequenties hebben voor de relaties met anderen (Baldwin & Baccus, 2004). Schaamte kan ook ontstaan zonder tussenkomst van een negatieve zelf-evaluatie. Anderen kunnen onverschillig, ontwijkend of negatief reageren – ook als je zelf niet het gevoel hebt dat je iets verkeerd hebt gedaan of tekort bent geschoten. De reactie van de ander is dan voldoende om je duidelijk te maken dat je niet goed genoeg bent, dat je niet de moeite waard bent. Het schaamtegevoel waarschuwt ons dat anderen zich dreigen af te keren en dat je sociale status gevaar loopt.

     Overigens is het de persoonlijke perceptie of we iets als een afwijzing ervaren: het grapje dat door jou wordt opgevat als een blijk van afkeuring kan een goedbedoelde poging van de ander zijn om je bij het gesprek te betrekken. Soms kunnen de sociale signalen die schaamte opwekken expliciet zijn, en soms heel subtiel: een opgetrokken wenkbrauw kan afkeuring uitdrukken, en subtiele bewegingen rond de neus of mond kunnen verachting uitdrukken (Ekman, 2008). Schaamte heeft niet alleen een signaalfunctie maar zet ook aan tot gedrag dat voorkomt dat de situatie verergert. Door uiting te geven aan schaamte (blozen, je ogen neerslaan, wegkijken, je klein maken of weggaan uit de situatie) kun je de ander duidelijk maken dat je je conformeert aan diens oordeel en daardoor kan verdere blootstelling, kritiek of afwijzing worden voorkomen. Schaamte kan vervolgens ook aanzetten tot zelfverbetering en/of tot pogingen om de relatie met anderen te verbeteren (Stegge & Thomaes, 2007).

     Schaamte kan in allerlei sociale situaties optreden. Je doet iets doms en anderen lachen je uit. Je zit in de klas en iemand maakt een grapje over je haar. Je komt op een feestje en hebt niet de juiste kleren aan. Je probeert iets te zeggen maar niemand luistert naar je. Je zoekt oogcontact met een meisje maar ze negeert je. Je wordt niet uitgenodigd terwijl je dat wel had verwacht. Je spreekbeurt wordt negatief beoordeeld terwijl je dacht het goed gedaan te hebben. Al deze situaties appelleren aan schaamtegevoelens. Schaamte is de emotie die ons een spiegel voorhoudt. Je kijkt als het ware door de ogen van anderen naar jezelf en wat je weerspiegeld ziet in de blik van de ander is bepaald niet aantrekkelijk: je bent dom, niet aantrekkelijk, onhandig, niet de moeite waard (Stegge & Thomaes, 2007).

     Omdat bij schaamte het zelf ter discussie staat, kan zelfs milde schaamte tot een forse negatieve zelfevaluatie leiden. Zo bezien is schaamte een gevoel dat vermeden moet worden, misschien niet eens bedoeld om beleefd te worden, en toch is het gevaar beschaamd te worden voortdurend aanwezig. Eenmaal beschaamd leidt het gevoel tot het zich willen verbergen maar kan het ook aanzetten tot gedrag dat bekend staat als shame rage (Lewis, 1971). Bij ‘schaamte-woede’ wordt de ervaren afkeuring van het zelf (‘ik ben een dom persoon’) geëxternaliseerd om zo de ervaren devaluatie van het zelf af te weren en het zelf te beschermen tegen de ervaren vernedering (‘niet ik ben dom maar de leerkracht omdat zij zulke domme vragen stelt’).

     Dit brengt ons bij de regulering van de zelfwaardering en de vraag of schaamte altijd leidt tot zich willen verbergen en/of tot ‘schaamte-woede’ – of zijn er nog andere regulatiestrategieën die kwetsuur van de zelfwaardering kunnen voorkomen?

 

De regulering van de zelfwaardering

Mensen hechten over het algemeen veel waarde aan het behoud van een positieve zelfwaardering en het vermijden van negatieve zelfgevoelens. Zelfregulatiestrategieën spelen daarbij een belangrijke rol. Denk daarbij onder andere aan zelfversterking (self-enhancement) en zelfbescherming. Zelf-versterking is erop gericht om de positieve zelfwaardering te bereiken en te handhaven, terwijl zelfbescherming erop gericht is om negatieve zelf-waardering te voorkomen ofwel te minimaliseren, en de effecten van negatieve zelfgevoelens te herstellen (Hepper e.a., 2010).

     Als de nadruk ligt op het voorkomen van negatieve zelfbewuste emoties is er sprake van een defensieve zelfregulatie. Een voorbeeld hiervan is sociale angst. Door het vermijden van situaties waarin het gevaar dreigt om bloot-gesteld te worden aan de mogelijke kritische beoordeling van anderen, wordt de angst voor vernedering en beschaming voorkomen. Een ander, weliswaar minder pregnant voorbeeld is faalangst. Ook hier geldt dat het kind het liefst taken wil vermijden waarin het zich niet of onvoldoende competent voelt. Soms leidt dit inderdaad tot het daadwerkelijke vermijden van een taak en soms tot de vlucht in uitstelgedrag; een tijdelijke remedie om mogelijk gezichtsverlies, dus beschaamd worden, te voorkomen (Güldner & Stegge, 2007). Crocker en Park (2003) verwijzen in dit verband naar onderzoek waaruit blijkt dat leeruitdagingen juist door die studenten gemeden worden voor wie schoolsucces een zeer belangrijk ingrediënt is van de zelfwaardering.

     Een andere strategie is die van de ‘ontkenning’. Elison, Pulos en Lennon (2006) zien ontkenning als een strategie om de ervaring van schaamte te minimaliseren door de schaamteboodschap zoveel mogelijk buiten het bewustzijn te houden. Ontkenning wordt zo het vehikel om de schaamte voorbij te streven, bypassing shame (zie Lewis, 1992). Bij het ‘overgewaar-deerde zelf’ (denk aan narcisme, het prototype van de kwetsbare positieve zelfwaardering) worden de cues van mogelijke afwijzing, tekortkoming en schaamte ontkend ten gunste van het op peil houden van de zelfwaardering.

     Güldner en Stegge (2013) toetsten in twee afzonderlijke studies de hypothese of een gezonde zelfwaardering kinderen beschermt tegen de negatieve gevolgen van falen en kritiek. In de eerste studie, waaraan 247 kinderen uit groep 7 en 8 deelnamen, werd in een experimentele opzet de invloed van succes of falen op de zelfwaardering onderzocht. Een gezonde zelfwaardering lijkt inderdaad een beschermende functie te hebben. Kinderen met een gezonde zelfwaardering bleven na falen even positief denken over zichzelf als persoon als na succeservaringen. Tegelijkertijd zagen we dat kinderen met een gezonde zelfwaardering niet ongevoelig waren voor de consequenties van succes of falen. Zij beoordeelden hun eigen competentie na falen minder positief dan na succes. De beschermende functie van een gezonde zelfwaardering zagen we niet terug bij de narcistische zelfwaardering, het prototype van een kwetsbaar positieve zelfwaardering. De zelfacceptatie was bij deze kinderen na falen lager dan na succes. Het behoud van positieve gevoelens over de eigen persoon na falen lijkt dus te zijn voorbehouden aan kinderen met een gezonde zelfwaardering.

     In de tweede studie, waaraan 258 kinderen uit groep 7 en 8 deelnamen, werd het oordeel van kinderen gevraagd over de zin van feedback en de wijze waarop ze met feedback omgaan. Kinderen met een gezonde zelfwaardering vonden feedback nuttig, hadden het gevoel hier iets van te kunnen leren en het maakte ze niet angstig of verdrietig. Daarentegen oordeelden kinderen met een kwetsbare positieve zelfwaardering over het nut van negatieve feedback (‘het is stom als iemand je vertelt wat je verkeerd hebt gedaan’), en gaven ze aan dat ze zich rot voelden na het krijgen van negatieve feedback. Ook waren ze geneigd weinig gebruik ervan te maken, maar negatieve feedback juist uit de weg te gaan (‘ik doe alsof ik niks heb gehoord’). Het kind met een kwetsbare positieve zelfwaardering is dus geneigd om de negatieve gevoelens die door falen of kritiek worden opgeroepen te vermijden en zoveel mogelijk te voorkomen dat het hieraan wordt blootgesteld. Dit is winst op korte termijn. Het nadeel is echter dat het kind met een kwetsbare positieve zelfwaardering op de lange termijn onvoldoende lering kan trekken uit die ervaringen, hetgeen een ongunstig effect kan hebben op de ontwikkeling van de eigen competenties en de bereidheid om nieuwe vaardigheden te leren.

     Tot zover de defensieve zelfregulatiestrategieën die vooral door kinderen met een kwetsbare positieve zelfwaardering worden toegepast om zo de zelfwaardering op peil te houden. Een andere relatief veelvoorkomende manier om zich weer beter te voelen over zichzelf na een schaamtevolle ervaring is het gebruik van positieve uitspraken zoals ‘ik kan het’ of ‘ik ben de moeite waard’ (Wood e.a., 2009). Positieve zelfbeweringen vormen zo een soort buffer tegen een al te grote daling in de zelfwaardering. Verondersteld wordt dat indien iemand na een negatieve ervaring positieve kwaliteiten van zichzelf tegenover zijn tekortkomingen zet, de zelfgevoelens meer in evenwicht komen en positieve emoties activeren. Deze gedachte is afkomstig van de broaden and build-theorie die de kracht van positieve emoties beschrijft (Frederickson, 2001). Het stimuleren van positieve emoties wordt in deze theorie gezien als krachtige tegenhanger van negatieve emoties die de basis vormen voor maladaptieve strategieën om met tegenslagen om te gaan (Fredrickson & Cohn, 2008). Mogelijk zijn kinderen met een gezonde zelfwaardering over het algemeen geneigd om positieve zelfbeweringen te gebruiken die zowel realistisch zijn als ook betrekking hebben op de eigen ervaringen.

     Een geheel andere strategie om met een schaamtevolle gebeurtenis om te gaan is zelfcompassie (Neff, 2003). Zelfcompassie verwijst naar mildheid en begrip jegens zichzelf. Persoonlijke tekortkomingen worden op een realistische wijze onder ogen gezien, waarbij het maken van fouten en beschaamd kunnen worden als iets menselijks wordt gezien (‘iedereen maakt wel eens fouten of maakt schaamtevolle gebeurtenissen mee’). Verondersteld wordt dat zelfcompassie bescherming biedt tegen negatieve emotionele ervaringen en positieve zelfgevoelens stimuleert als het in het leven tegenzit. Het verbaast dan ook niet dat mensen met een ruime mate van zelfcompassie over het algemeen over een gezonde zelfwaardering beschikken (Neff, 2003). Daarentegen blijkt dat mensen met een kwetsbare positieve zelfwaardering weinig of geen mildheid en begrip kunnen opbrengen voor de eigen tekortkomingen en dus ook over minder zelfcompassie beschikken bij negatieve emotionele ervaringen. (Neff e.a., 2005; Leary e.a., 2007).

     Güldner en Stegge (2014) onderzochten in een tweetal studies de effectiviteit van zelfcompassie, positieve zelfbeweringen en defensieve zelfregulatiestrategieën op het herstel van zelfwaardering na een schaamtevolle ervaring. Aan beide studies namen 533 kinderen van groep 7 en 8 deel. In de eerste studie werden aan de kinderen een defensieve en een zelfcompassie zelfregulatiestrategie voorgelegd. Gevraagd werd van welke strategie ze dachten gebruik te zullen maken na een schaamtevolle gebeurtenis en hoe effectief ze meenden dat die strategie is om de door schaamte aangetaste zelfwaardering weer te herstellen. Uit de resultaten bleek dat kinderen met een gezonde zelfwaardering geneigd waren om op schaamtevolle situaties met compassie te reageren en het eigen falen als menselijk te beschouwen (zelf-compassie). Kinderen met een kwetsbare positieve zelfwaardering daarentegen waren geneigd om op schaamtevolle situaties met defensieve zelfregulatie-strategieën (denigreren en zelfverheerlijking) te reageren. Ook het oordeel over de effectiviteit van de gekozen zelfregulatiestrategie liet een vergelijkbaar beeld zien. Kinderen met een gezonde zelfwaardering gaven aan dat zelfcompassiestrategieën helpen om je weer beter te voelen over jezelf. Door kinderen met een kwetsbare positieve zelfwaardering werden juist de defensieve strategieën als effectief gezien bij het herstel van de kwetsuur in de zelfwaardering.

     In de tweede experimentele studie werd de hypothese getoetst of zelfcompassie en positieve zelfbeweringen met betrekking tot het herstel van de zelfwaardering effectiever zijn na een schaamtevolle gebeurtenis dan een defensieve zelfregulatiestrategie. Positieve zelfbeweringen bleken een effectieve strategie in het herstel van de zelfwaardering na een schaamtevolle situatie. Dit effect bleek niet afhankelijk van de aard van de zelfwaardering en lijkt dus een algemeen geldend effect te hebben. Wat zelfcompassie betreft waren er enige aanwijzingen van de effectiviteit op de zelfwaardering (verbetering van stemming en zin in sociale activiteiten) maar minder overtuigend dan voor positieve zelfbeweringen. Misschien veronderstelt zelfcompassie meer nog dan de andere zelfregulatiestrategieën dat geleerd moet worden om op een milde en menselijke wijze naar zichzelf, zijn competenties en zijn tekortkomingen te kijken. Ook hier werd geen effect gevonden met betrekking tot beide zelfwaarderingsvarianten. Verder werd duidelijk dat een defensieve strategie minder goed werkt dan positieve zelfbeweringen en (in mindere mate) dan zelfcompassie. Dit geldt ook voor kinderen met een kwetsbaar positieve zelfwaardering. Dus hoewel ze van mening zijn dat een defensieve strategie effectief is, blijkt dat ze in werkelijkheid misschien beter gebruik kunnen maken van een andere strategie, namelijk positieve zelfbeweringen of wellicht zelfs zelfcompassie. Mogelijk moeten deze kinderen expliciet op dit spoor worden gezet, aangezien ze vanuit zichzelf geneigd zijn tot het gebruik van defensieve strategieën zoals ook uit de eerste studie blijkt.

 

Schaamte, zelfwaardering, zelfregulatie in de psychotherapie

Van alle emoties komt schaamte waarschijnlijk het minst expliciet aan bod in de psychotherapie. Hiervoor zijn een aantal redenen: praten over angst, woede, of verdriet is voor de cliënt en voor de therapeut minder beladen dan schaamte. Immers schaamte is een zeer besmettelijke emotie die ook overgedragen kan worden op de therapeut bij het luisteren naar de schaamtevolle herinnering van de cliënt. Maar misschien nog belangrijker is dat schaamtesignalen van cliënten meestal niet zo eenduidig zijn. Zelden krijgen we van een jongere expliciet te horen dat hij zich in een bepaalde situatie of door een bepaald voorval ‘dood heeft geschaamd’. Wat we vaak wel te horen krijgen zijn versluierde boodschappen die we eerst moeten decoderen alvorens de schaamte bespreekbaar kan worden.

 

Amber

Amber is een 16-jarig meisje dat in verband met depressieve klachten werd aangemeld. Al snel bleek dat haar klachten verband hielden met het verbreken van haar eerste echte liefdesrelatie. Haar vriend had alleen gezegd dat hij geen relatie meer wilde en Amber bleef achter met een gevoel van ‘ik begrijp het niet’ dat vervolgens omsloeg in intense buien van somberheid. De therapeut voelt dat het ‘niet begrijpen’ van Amber een verwijzing is naar beschaamd zijn door haar vriend, en merkt op dat ‘iets niet begrijpen nogal wanhopig kan maken’. Amber vertelt vervolgens hoe ze zich de hele tijd afvraagt wat er aan haar mankeert dat haar vriend haar heeft laten staan en niets meer met haar van doen wil hebben. ‘Je voelt je afgedankt en beschaamd’, en met een zachte stem antwoordde zij ‘Ja!’.

 

In dit vignet wordt duidelijk wat Tas (1993) bedoelde met de opmerking dat bij schaamte een breuk in de empathie met onszelf optreedt. Voor jongeren is het ook schaamtevol iemand te zijn die zich schaamt. Vaak wordt, zoals in het vignet hiervoor, de schaamte overdekt door meer basale emoties zoals verdriet en somberheid. Het is daarom zo belangrijk om de hints van schaamte te signaleren (Schalkwijk, 2011). Soms is de hint bijvoorbeeld in een bijzin ‘het was even lastig toen ik hoorde dat ik niet overging’ en vervolgens gaat het alleen maar over hoe weinig inspanning de jongere hoeft te leveren en hoeveel tijd hij heeft om zijn eigen dingen te doen in plaats van huiswerk. Terloops kan dan nog eens het thema ‘dat het even lastig was’ worden aangekaart.

     Hints kunnen ook de vorm hebben van signalen zoals snel en veel praten (Lewis, 1971) of juist op zachte toon praten met gebogen hoofd waardoor oogcontact vermeden of verbroken wordt (Frijda, 2008). En soms is de schaamte verborgen in de verbale verpakking van ‘niet dat ik jaloers ben, maar…’. Het kan zeer zinvol zijn om de gedachte aan de jongere voor te leggen dat ‘er misschien wel jaloezie speelt maar dat die als te schaamtevol wordt ervaren en afgeweerd (Schalkwijk, 2011). Een hint kan ook in de omkering liggen zoals de agressieve uitbarsting van een jongere die zich gekrenkt voelt. De krenking wordt niet verdragen en gevoelens van onzekerheid en schaamte worden als kwetsend ervaren (Graafsma, 2008).

     Het signaleren en bespreekbaar maken van schaamte moet gezien worden als een belangrijke taak van de psychotherapeut. Het over het hoofd zien van schaamte kan voor de jongere zelfs nadelig uitpakken aangezien schaamte een soort zelfhaat is sinds de empathie met onszelf door de schaamte is verbroken.

     Hoe gaan we nu om met de kwetsbare positieve zelfwaardering in de therapie? Zoals we hierboven hebben gezien kenmerkt zich dit type van zelfwaardering door zelfoverschatting, instabiliteit en het voortdurend op zoek zijn naar externe waardering. Een gezonde zelfontwikkeling vindt plaats in een veilige omgeving waarin de basale behoefte voor competentie, autonomie en het verlangen om verbonden te zijn met anderen gestimuleerd wordt (Decci & Ryan, 2000). Een klimaat van toegeeflijkheid, vijandigheid of weinig responsief ouderschap kan eraan bijdragen dat een of meer van de basale behoeften van het kind worden gedwarsboomd. Dit kan leiden tot het ontwikkelen van narcisme en een defensieve zelfregulatiestijl om zo een minimaal gevoel van eigenwaarde veilig te stellen (Brummelman & Thomaes, 2010). Het emotionele bewustzijn is bij deze jongeren waarschijnlijk beperkt, gezien de preoccupatie met hun zelfwaardering. Hierdoor missen ze belangrijke relevante informatie in de sociale interacties. Bovendien kan dit leiden tot uitstelgedrag en perfectionisme, tot denigreren van anderen en het overwaarderen van zichzelf, waardoor sociale relaties ondermijnd worden.

     Voor de klinische praktijk betekent dit dat het stimuleren van een gezonde zelfwaardering een belangrijk doel moet zijn in de behandeling van jongeren met een kwetsbare positieve zelfwaardering. Daarbij hoort onder andere het vergroten van het bewustzijn van de eigen zelfgevoelens en gedachten, alsmede een adequate inschatting van de eigen vaardigheden. Jongeren mogen weten wat ze goed kunnen, maar ze mogen ook weten wat ze nog niet zo goed kunnen of waar ze nog wat te leren hebben. Van belang is dat ze leren dat ze niet overal in kunnen en hoeven uit te blinken (Güldner & Stegge, 2013). Negatieve zelf-relevante informatie kan soms bedreigend maar tegelijkertijd ook zeer nuttig zijn. Als het wordt geïntegreerd in het zelfbeeld en aangegrepen wordt als leerervaring, kan het aanzetten tot zelfverbetering en een betere aanpassing aan de sociale omgeving.

 

Jan

Jan is 12 jaar als hij in verband met gedragsproblemen wordt aangemeld. Tijdens de intake blijkt dat hij snel gekrenkt is als hij in de klas niet tot de besten behoort. Op goede dagen mokt hij alleen als de leerkracht kritiek geeft op zijn werk en op slechte dagen kan hij schreeuwend de klas uitstormen. Anderzijds kan hij zich ook heel laatdunkend uitlaten over anderen als zijn werk positief wordt beoordeeld.

     Tijdens de behandeling wordt veel tijd besteed aan zijn zelfwaardering. Hij is voortdurend op zoek naar externe bevestiging. Gaandeweg lukt het Jan om het te kunnen verdragen dat hij niet in alles de beste kan zijn. Tegen het einde van de behandeling kan hij in oprechtheid zeggen tevreden te zijn met een tweede of zelfs derde plaats, hoewel hij uiteraard graag gewonnen had.

 

Zo op het eerste gezicht lijkt het bijsturen van een kwetsbaar positieve zelfwaardering betrekkelijk eenvoudig, toch wil ik hier een kanttekening plaatsen: in het bijsturen van een dergelijke zelfwaarderingsproblematiek moet altijd rekening gehouden worden met de rol die schaamte altijd speelt bij narcisme, ‘schaamte is de vijand van narcisme’ (Schalkwijk, 2011). Met andere woorden: we dienen rekening te houden met de schaamtegevoeligheid bij dit type zelfwaardering. Gaan we te snel of geven we te weinig waardering, dan zal de jongere zich tegen ons keren: ‘wie denk je wel dat je bent om mij de les te lezen?’. De jongere beleeft de therapeut dan niet meer als welwillende meedenker maar als een kwaadwillende treiteraar tegen wie hij zich moet verzetten. Pas als we de gepaste aansluiting weten te vinden kan de jongere zijn ‘opgeblazen zelf’ langzaam laten varen en zijn ‘echte zelf’ laten zien.

 

Tot slot nog een aantal opmerkingen over de zelfregulatiestrategieën positieve zelfbeweringen en zelfcompassie. Positieve zelfbeweringen bleken in ons onderzoek een effectieve strategie in het herstel van de zelfwaardering na een schaamtevolle situatie. Om te voorkomen dat positieve zelfbeweringen leiden tot wat Robins en Beer (2001) ‘positieve zelfillusies’ noemen, is het van belang dat die beweringen gebaseerd zijn op reële ervaringen uit het leven van de jongere zelf, waarin hij zich daadwerkelijk positief over zichzelf heeft gevoeld. Door het in herinnering roepen van dergelijke ervaringen kunnen positieve emoties geactiveerd worden en zo de zelfwaardering versterken. Alleen de nadruk leggen op zomaar positieve zelfbeweringen (‘ik ben een winnaar’) creëert een positieve zelfillusie zoals bij de kwetsbare positieve zelfwaardering, of heeft het tegenovergestelde effect, namelijk dat de zelfwaardering nog meer daalt als de zelfbeweringen te ver afstaan van de ervaren realiteit van de jongere (Wood e.a., 2009). De essentie is dat de positieve beleving/emotie opnieuw ervaren wordt en zo kan bijdragen aan een meer adaptieve copingstijl. Van belang is dat de therapeut de jongere stimuleert om die positieve ervaring te laten bestaan en ze te beschouwen als krachtige ervaringen die een tegen-hanger kunnen vormen voor zijn tekortkomingen en negatieve zelfgevoelens.

 

Tom

Tom is 10 jaar als hij wordt aangemeld met somberheidsklachten. Tijdens de intake blijkt dat hij weinig positiefs over zichzelf kan vertellen en vaak eindigt met de opmerking ‘ik ben een loser’. Zijn gevoel van ‘loser-zijn’ wordt telkens weer aangezwengeld door het feit dat hij lijdt aan een ernstige vorm van dyslexie waarvoor hij al jaren in behandeling is, met beperkte vooruitgang. Terloops maakt hij een opmerking over zijn creatieve en sportieve vaardig-heden en zie ik iets van een glimp van ingetogen trots, die vrijwel direct teniet-gedaan wordt door zijn aandacht weer op zijn onvoldoendes op school te richten. ‘Tja, bij zo’n ernstige dyslexie lijkt mij, dat iedereen zich machteloos zou voelen’, merk ik op. ‘Ja en ik moet elke dag naar school!’.

     Tijdens de behandeling tracht ik vooral de positieve ervaringen die hij aan sport en creatieve activiteiten beleeft te plaatsen tegenover zijn dyslexie, waar hij tegen kan vechten of als een realiteit kan accepteren. Gaandeweg kan hij in de behandeling steeds langer stilstaan bij zijn sportieve prestaties of bij zijn creatieve vaardigheden waarover hij ook op school vaak de nodige lof krijgt toegezwaaid. Natuurlijk steekt het hem als hij soms in de klas hardop moet lezen maar het gevoel een ‘loser te zijn’ is afgenomen en veranderd in ‘ik moet straks iets gaan doen waar ik goed in ben, bijvoorbeeld iets met sport’.

 

Zoals gezegd verwijst zelfcompassie naar mildheid en begrip jegens zichzelf wat betreft de persoonlijke tekortkomingen. De gedachte is dat zelfcompassie bescherming biedt tegen negatieve emotionele ervaringen en positieve zelfgevoelens stimuleert als het in het leven tegenzit. Eerder zagen we al dat vanuit een ontwikkelingsperspectief de globale zelfevaluatie pas in de tweede helft van de lagere school zichtbaar wordt. Nadrukkelijke bewustheid van zichzelf, waardering, positie en vergelijking met de sociale groep waar men deel van uitmaakt komt steeds meer centraal te staan. Dit is een periode tot zeker in de tweede helft van de adolescentie waarin het gevaar van kwetsuren in de zelfwaardering nadrukkelijk op de loer ligt. Zelfcompassie lijkt dan niet echt voor de hand te liggen als ‘cool’ gedrag. Toch zou voor menig adolescent zelfcompassie een welkome buffer zijn tegen te strenge zelfkritiek en piekeren over persoonlijke of sociale tekortkomingen (Neff e.a. 2005). Het lijkt daarom een belangrijke taak van de psychotherapeut om de jongere te stimuleren op een milde wijze naar zichzelf, zijn competenties en zijn tekortkomingen te kijken.

 

Tara

Tara is 17 jaar als ze in verband met ernstige stemmingsproblemen wordt aangemeld. Gedurende de eerste maanden van de behandeling spreekt ze regelmatig over ernstige tekortkomingen als dochter van haar ouders, de teleurstellingen die ze hun voortdurend bezorgt. De zelfafkeuring is groot, niet zozeer in termen van schaamte maar vooral in termen van schuld. Aanvankelijk wordt elke nuancering die de therapeut probeert in de afkeuring van zichzelf probeert aan te brengen als ongeloofwaardig ter zijde geschoven. Het niet kunnen accepteren van haar persoonlijke tekortkomingen staat soms in schril contrast met het toegeven aan haar eigen wensen en verlangens.

     Gaandeweg de therapie lukt het om dit conflict bespreekbaar te maken en wordt een brug geslagen tussen tekortschieten in de ogen van de ‘interne ouder’ enerzijds en het bevredigen van het ‘interne zelf’ anderzijds. Tekortschieten leidt niet direct meer tot uitsluitend zelfdevaluatie, er komt iets meer mildheid naar zichzelf maar ook meer begrip voor de zorg van de ouders. Tara is steeds meer op weg ‘zich te voegen als het moet en haar eigen gang te gaan als het kan’.

 

Conclusie

Emoties zetten aan tot gedrag, of het nu om basale of om zelfbewuste emoties gaat. Schaamte, de krachtigste van de zelfbewuste emoties, zet vooral aan tot het zich verbergen, ontkennen of externaliseren van de beschamende situatie. Bij schaamte is de zelfwaardering in het geding en de kwetsuur moet hersteld worden. Dit artikel heeft laten zien dat kinderen en jongeren met een kwetsbare positieve zelfwaardering (narcisme) geneigd zijn om met defensieve zelfregulatiestrategieën te reageren op schaamtevolle situaties. De opgave van de psychotherapeut is het om schaamte bespreekbaar te maken en de kwetsbare zelfwaardering bij te sturen door meer adaptieve zelfregulatiestrategieën te stimuleren.

 

Samenvatting

Mensen hechten over het algemeen veel waarde aan het behoud van een positieve zelfwaardering en het vermijden van negatieve zelfgevoelens. Zelfbewuste emoties zoals schaamte, trots, gêne en schuld zetten aan tot zelfevaluatie. Zelfregulatiestrategieën spelen daarbij een belangrijke rol. De aard van de zelfregulatiestrategie die iemand hanteert om de zelfwaardering op peil is te houden hangt ervan af of er sprake is van een gezonde of kwetsbare zelfwaardering. Zelfacceptatie minimaliseert de effecten van falen en tekortschieten, terwijl een defensieve zelfregulatiestijl alleen een tijdelijke verlichting is in het voorkomen van negatieve zelfbewuste emoties. Een belangrijke taak van de psychotherapeut is het bijsturen van de kwetsbare zelfwaardering door het stimuleren van meer adaptieve zelfregulatiestrategieën.

 

Drs. M.G. Güldner is klinisch psycholoog-psychotherapeut en werkzaam bij de Bascule, afdeling emotionele stoornissen, te Amsterdam. E-mail: m.guldner@planet.nl.

 

Literatuur

APA (2000). Diagnostic and statistical manual of mental disorders. Vol. 4th, ed., DSM-IV-TR. Washington, DC: American Psychiatric Association.

Baldwin, M.W., & Baccus, J.R. (2004). Maintaining a focus on the social goals underlying self-conscious emotions. Psychological Inquiry, 15, 133-144.

Brummelman, E., & Thomaes, S.C.E. (2010). Opvoeding en de ontwikkeling van grandioos en kwetsbaar narcisme: Een overzicht. Kind en adolescent, 31, 3, 116-130.

Bushman, B.J., & Baumeister, R.F. (1998). Threatened egotism, narcissism, self-esteem, and direct and displaced aggression: Does self-love or self-hate lead to violence? Journal of Personality and Social Psychology, 75, 219-229.

Clark, L.A. (2007). Assessment and diagnosis of personality disorder: Perennial issues and emerging reconceptualization. Annual Review of Psychology, 58, 22-257.

Crocker, J., & Park, L.E. (2003). Seeking self-esteem: construction, maintenance, and protection of self-worth. In M.R. Leary & J.P. Tangney (Eds.), Handbook of self and identity (PP. 291-313). New York: The Guilford Press.

Damsaio, A. (2010). Het zelf wordt zich bewust. Hersenen, bewustzijn, ik. Amsterdam: Wereldbibliotheek.

Deci, E.L., & Ryan, R.M. (2000). The what and why of goal pursuits: Human needs and self-determination of behavior. Psychological Inquiry, 11, 227-268.

Ekman, P. (2008). Gegrepen door emoties – Wat gezichten zeggen. Amsterdam: Uitgeverij Nieuwezijds.

Elison, J., Pulos, S., & Lennon, R. (2006). Shame-focused coping: an empirical study of the compass of shame. Social Behavior and Personality, 34, 161- 168.

Frederickson, B.L. (2001). The role of positive emotions in positive psychology: The broaden-and-build theory of positive emotions. American Psychologists, 56, 218-226.

Fredrickson, B.L., & Cohn, M.A. (2008). Positive emotions. In M. Lewis, J.M. Haviland-Jones, & L.F. Barrett (Eds.), Handbook of Emotions (pp. 777-796), 3rd Ed. New York: Guilford Press.

Frijda, N.H. (2008). De wetten der emoties. Amsterdam: Bert Bakker.

Graafsma, T. (2008). Respect en disrespect in de adolescentie. Enkele psychoanalytische overwegingen. In C.J.A. Roosen, A. Savenije, A. Kolman & R. Beunderman (red.), Adolescentie en Respect. Psychotherapie met adolescentie (pp. 3-22). Assen: Van Gorcum.

Güldner, M.G., Stegge, H., Smits, M., & Thomaes, S. (2010). De kwetsbaarheid van de narcistische zelfwaardering bij kinderen. Kind en Adolescent, 31, 1, 4-15.

Güldner, M.G., & Stegge, H. (2007). Zelfbeeld, zelfwaardering en zelfregulatie in de klinische praktijk. Kinder & Jeugdpsychotherapie, 34, 2, 38-48.

Güldner, M.G., & Stegge, H. (2013). Beschermt een gezonde zelfwaardering tegen de negatieve gevolgen van falen en kritiek? Kind en Adolescent 34, 1, 45-58.

Güldner, M.G., & Stegge, H. (2014). Hoe hou ik mijn zelfbeeld op peil? Over het reguleren van de zelfwaardering. Kind en Adolescent 36, 1.

Harter, S. (2006a). The self. In W. Damon & R. M. Lerner (Series Eds.) & N. Eisenberg (Vol. ed.), Handbook of child psychology: Vol. 3. Social, emotional, and personality development (pp. 505-570). New York: Wiley.

Harter, S. (2006b). Where do we go from here. In M.H. Kernis, Self-esteem issues and answers. A sourcebook of current perspectives (pp. 430-438). New York: Psychology Press.

Harter, S. (1999). The construction of the self. New York: Guilford Press.

Hepper, E.G., Gramzow, R.H., & Sedikides, C. (2010). Individual differences in self-enhancement and self-protection strategies: an integrative analysis. Journal of Personality, 78, 781-814.

Keltner, D., & Buswell, B.N. (1997). Emarressement: its distinct form and appeasement functions. Psychological Bulletin, 122, 250-270.

Kernis, M.H. (2003). Toward a conceptualization of optimal self-esteem. Psychological Inquiry, 14, 1-26.

Kernis, M.H., & Goldman, B.M. (2003). Stability and variability in self-concept and self-esteem. In M.R. Leary & J.P. Tangney (eds.), Handbook of self and identity (pp. 106-127). New York: The Guilford Press.

Leary, M.R., Tate, E.B., Adams, C.E., e.a. (2007). Self-compassion and reactions to unpleasant self-relevant events: The implications of treating oneself kindly. Journal of Personality and Social Psychology, 92, 887-904.

Lewis, M. (2000). Self-conscious emotions: embarrassment, pride, shame and guilt. In M. Lewis & J.M. Haviland-Jones (eds.), Handbook of emotions (pp 623-636). New York: The Guilford Press.

Lewis, H.B. (1971). Shame and guilt in neurosis. New York: International Universities Press.

Lewis, M. (1992). Shame, the exposed self. New York: Free Press.

Morf, C.C., & Rhodewalt, F. (2001). Unravelling the paradoxes of narcissism: A dynamic self- regulatory processing model. Psychological Inquiry, 12, 177-196.

Neff, K. (2003). Self-compassion: An alternative conceptualization of a healthy attitude toward oneself. Self and Identity, 2, 85-102.

Neff, K., Hsieh, Y-P. & Dejitterat, K. (2005). Self-compassion, achievement goals, and coping in academic failure. Self and identity, 4, 263-287.

Robins, R.W., & Beer, J.S. (2001). Positive illusions about the self : short-term Benefits and long-term costs. Journal of Personality and Social Psychology, 80, 340-352.

Schalkwijk, F. (2011). Emoties bij jongeren. Theorie en diagnostiek van het geweten. Amsterdam: Boom.

Stegge, H., & Thomaes, S.C.E. (2007). Korte lontjes en opgeblazen ego's: over schaamte, zelfbeeld en agressie. Kinder- en Jeugdpsychotherapie, 34, 2, 5-23.

Tas, L. (1993). Van ‘body-gloss’ naar schaamte. Psychoanalytisch Forum, 11, 3, 30-74.

Tangney, J.P. (2003). Self-relevant emotions. In M.R. Leary & J.P. Tangney (eds.), Handbook of self and identity (pp. 384-400). New York: The Guilford Press.

Thomaes, S., Stegge, H., Bushman, B.J., e.a. (2008). Development and validation of the Childhood Narcissism Scale. Journal of Personality Assessment, 90, 4, 382-391.

Thomaes, S., Bushman, B.J., Orobio de Castro, B., & Stegge, H. (2009). What makes narcissists bloom? A framework for research on the etiology and development of narcissism. Development and Psychopathology, 21, 1233-1247.

Thomaes, S., Stegge, H., & Olthof, T. (2007). Externalizing shame responses in children: The role of fragile positive self-esteem. British Journal of Developmental Psychology, 25, 559-577.

Tomkins, S.S. (1962/2008). Affect imagery, consciousness. Volume I & II. New York: Springer.

Tracy, J.L. & Robins, R.W. (2007). The self in self-conscious emotions. In J.L. Tracy, R.W. Robins, & J.P. Tangney, (eds.), The self-conscious emotions. Theory and research (pp. 3-20). New York: The Guilford Press.

Wood, J., Perunovie, E., & Lee, J.W. (2009). Positive self-statements: power for some, peril for others. Psychological Science, 20, 860-866.