Op 500 meter diepte, op de zeebodem van de oceaan, waar fotosynthese geen plaats meer heeft, voltrekt zich een andere wereld waar hoogstaande non-verbale communicatie centraal staat en synchroniciteit en timing het alfabet van interactie vormen. Hoewel een aantal (vooral gewervelde) oceaanbewoners in mindere of meerdere mate gebruik maken van geluid (e.g. Parsons e.a., 2013) worden structuur, begrip en duidelijkheid in stilte vastgelegd, en dit over generaties heen. Op deze zeebodem leeft de fascinerende Groenlandse haai (Somniosus microcephalus; Stroksnes, 2016). Deze haai kan meer dan vijfhonderd jaar oud worden. Eén generatie van deze soort bevat een rijgsnoer van ontmoetingen met andere korter levende zeedieren. Al deze nonverbale wijsheid zit opgeslagen in zijn bewegingen, in zijn ademhaling, in zijn zwempatroon, in zijn dialogische timing, in zijn geurorgaan, in heel zijn lichaam. Hij is een drijvend intergenerationeel onderzoekslab, een databank van de interactionele wereld van de zeebodem, van wortels van ‘belonging’ of afkomst. Hij heeft een feilloos lichaamsalfabet.


Belonging’ en het muzikaal lichaamsalfabet

Ook in onze talige mensenwereld is het lichaamsalfabet belangrijker dan we denken en maken onze afkomst en ons gevoel van belonging deel uit van ons existentieel welzijn. Vanaf de eerste momenten dat we in interactie treden met de multisensorische wereld om ons heen, wordt het fundament van onze intergenerationele wortels van afkomst of belonging laag per laag opgebouwd. Een stroom van ervaringen, zowel van binding als gemis, van heling en kwetsuur; een stroom die ons laat groeien tot onaf en ons van het prille begin voedt met onze intergenerationele geschiedenis. Het is die voorraad van opgeslagen impliciete herinneringen, gedragingen, emoties, die ons soms meer stuurt dan we zelf beseffen en ons bindt met de andere takken van onze stamboom.

     Vaak liggen sommige van die herinneringen onaangeroerd te wachten op de bodem van een impliciete zee waar het aardedonker is omwille van de diepte waar geen licht kan doordringen. Tot de deur ernaartoe wordt geopend. Eens de deur geopend, is ze niet meer te sluiten. Wanneer het dan over lang opgeborgen kwetsuren of trauma’s gaat, dan kan de pijn onverwacht overspoelend zijn. Een niet te duiden overspoeling die door deze eigenschap alleen maar versterkend werkt, wat de intensiteit van de beleving explosief en tegelijk massaal verlammend kan doen navoelen.

Miriam, Luna en Marc

Ik denk aan Miriam. Een jonge zachte mama, die een hele zwangerschap had uitgekeken naar de geboorte van haar eerste baby. Het blijkt een meisje te zijn, zo verneemt ze na een vijftal maanden zwangerschap. Hoewel ze liever een jongen had gehad, kan het haar blijheid niet overschaduwen. Alles was tot in de puntjes voorbereid, de babykamer was een warm nest en de ouders hadden samen een wolkendek van dromen opgebouwd over de baby. Tot de kleine Luna net na de geboorte in de armen van mama wordt gelegd. Alsof de maan plots voor de zon glijdt, begint Miriam te huilen, onstopbaar, dagen, weken. Dag en nacht. Ze weet niet waar het vandaan komt. En ze heeft de kracht niet erover na te denken. Het enige wat ze kan vertellen is dat ze bij het vasthouden van de baby leek te verkrampen, wat haar deed geloven dat ze geen goede moeder kon zijn: ‘ik kan haar niet de armen bieden die ze nodig heeft’. Wanneer ze deze woorden uitspreekt, valt me voor het eerst een licht accent op, Pools, gok ik. Papa Marc luistert mee in het eerste gesprek en de volgende keer vraag ik om ook Luna mee te brengen.

     ‘Ze heeft een onrustige dag’, zegt mama. We gaan samen spontaan op de grond zitten, rond de baby, zoals een olifantenfamilie dat ook doet rond een pasgeboren kalfje. Ik begin te neuriën, een Pools slaapliedje waar ik die week naar op zoek was gegaan. Mama begint dromerig mee te neuriën. Ze kent het duidelijk. Langzaam borrelen er tranen op bij haar. Ze legt de baby in papa’s schoot en komt tegen me aanleunen. Onnadenkend, als vanzelf. Ze wordt heel jong plots en wiegt mee op het ritme van het lied. Ik vraag of ze gewiegd wil worden, ze knikt. We wiegen op het ritme van ons neuriën. En ik zie dat papa hetzelfde doet met de baby. Mama snikt een aantal keer en wordt dan weer rustiger. Papa legt de baby nu in Miriams schoot en neemt mijn plaats in. Ik schuif heel voorzichtig naar achter en laat hem contact maken met Miriam. Alles verloopt sereen en organisch. Ondertussen neuriën we met z’n drieën nieuwe klanken, klanken die gewoon ontstaan tussen ons zoals het wiegen en doorgeven van lichaamstaal.

     En dan begint mama te vertellen. Het is de start van een immens verhaal, ononderbroken, met een gelijkaardige intensiteit en timing als het huilen in de voorbije weken. Wekenlang vertelt ze en vertelt ze, sessie na sessie, aan haar baby, aan haar man, aan mij; een verhaal waarvan ze dacht dat het niet zo belangrijk meer was omdat ze een goed thuis had gevonden. Een verhaal over een mama waarvan ze enkel nog een vaag beeld had in haar hoofd. Een mama die in Polen aan een longontsteking gestorven was. Over een lange reis waar ze zich flitsen van herinnert, over de liefdevolle opvoeding van haar papa hier in België. Over het missen van de extra armen van haar mama. Over de warmte van haar stiefmoeder die enkele jaren later in haar leven kwam en haar mee opvoedde alsof ze haar eigen kind was. Over de geuren van Polen en de stem van haar moeder. Over alle herinneringen die impliciet binnen deze warme familie leefden maar nooit geëxpliciteerd werden. Over het verhaal dat steeds meer vervaagde en minder belangrijk was gaan lijken. Zo ogenschijnlijk onbelangrijk dat ze er amper iets van vertelde aan haar partner. Zo ogenschijnlijk onbelangrijk dat ze vergeten was hoe het was om Pools te praten. Zo ogenschijnlijk onbelangrijk dat ze nooit meer in Polen geweest was.

     Het was de start van een reeks gesprekken met Marc die met een bereidwillige rust de zwarte gaten van onverwerkt verdriet kon verdragen, met Miriams vader die nooit over zijn verdriet had durven praten, en Miriams stiefmoeder die een veilige brug vormde tussen ons allen. Vastgevroren onberoerde herinneringen werden opnieuw vloeibaar. En ook kleine Luna luisterde elke week nieuwsgierig mee, groeiend vanuit duidelijke wortels. Het was een reis die vertrok in een lied en resulteerde in een bezoek aan Polen.

Ghosts in the message of love

Dit soort onberoerde herinneringen die we allen wel eens laten liggen omdat ze niet prettig zijn of eng of angstaanjagend of oncomfortabel voelen, werden door Fraiberg e.a. (1975, p. 387) enkele decennia terug benoemd als de ‘ghosts in the nursery’ of de ‘visitors of the unremembered past of the parents; the uninvited guests at the christening’. Deze ghosts worden vaak wakker bij de geboorte van een baby; op een moment dat een nieuwe levensbron wordt aangeboord. Naar mijn ervaring niet zozeer door die baby zelf maar door de thema’s waarop zo’n baby of levensbron een beroep doet. Ze kunnen dus evenzeer wakker geschud worden door een hevige verliefdheid, een manier van aanraken, de manier waarop iemand je vasthoudt, de klank in een stem, de ondertoon van een blik, seks en orgasme, diepe vriendschap, een unieke artistieke ervaring... We zouden het sentimenteel ‘ghosts in the message of love’ kunnen noemen. De gemeenschappelijke onderliggende thema’s resoneren met zorg en binden tot wat de systeemtherapeut Jürg Willi (1982) zou benoemen als oerzorg en versmelting. Het mechanisme erachter is ingenieus zelfbeschermend: de immense pijn van gemis en eenzaamheid die we als jong kindje bijvoorbeeld niet zouden overleven, wordt netjes opgeborgen voor later, voor een moment waarop we dit wél zouden aankunnen. Langzaam-aan wordt ons lichaam er Oost-Indisch doof voor. Tot plots een emotioneel ingrijpende gebeurtenis een beroep doet op die oude ingeslapen beleving. De kwetsbare zorg die baby Luna bij Miriam opriep, deed haar onverbiddelijk eigen gemiste zorg voelen en overspoelde haar met een verleden van hulpeloosheid.

     Maar dat is enkel de cerebrale kant van het verhaal. Er is veel meer aan de hand. Wanneer we ons beperken tot deze ‘volwassen verpakte’ uitleg, bereiken we vaak de kern van het trauma niet of we stuiten op defensie. Net omwille van het massaal pijnlijke en donkere van de herbeleving. Want wat er zit opgeslagen in ons brein en lichaam is niet de ‘idee’ van gemis; het is de ‘lichamelijke ervaring’ van gemis en de eraan gerelateerde fysiologische processen – datgene wat ons lichaam ermee deed en nog steeds doet. Op jonge leeftijd kán ons brein nog geen expliciete herinneringen opslaan; we hebben daarvoor het corticaal deel ervan nog niet voldoende ontwikkeld (e.g. Perry & Szalavitz, 2006; Siegel, 1999). Onze eerste herinnering zet de tijdklok meteen op gemiddeld 3-4 jaar. Maar in de jaren daarvoor wordt iedere ervaring subcorticaal als een spons geabsorbeerd en in relatie met proprioceptieve en multisensorische informatie uit ons lichaam en omgeving met uiterste precisie opgeslagen (Hellstrom e.a., 2012; Schaefer e.a., 1980; Swain e.a., 2007). De kwetsbare zorg die baby Luna bij Miriam opriep, deed haar inderdaad eigen gemiste zorg voelen. Maar het gaat vooral over wat haar lichaam zich plots herinnerde toen de baby in haar armen werd gelegd: een overrompelende eenzaamheid waar nooit iemand woorden aan had gegeven. Deze herinnering van het lichaam is sterk en lijkt geen veroudering of amnesie te kennen. Ze kan vlijmscherp haar weg zoeken en kan deels worden verklaard door de werking van wat Hofer (1994) ‘hidden maternal regulators’ noemt.

Hidden maternal regulators en epigenetica

Hidden maternal regulators[1] zijn coverte regulatieprocessen tussen moeders en baby’s. Hofer baseerde zich op een serie van studies van onder meer Champagne en Meaney (e.g. Champagne, 2010; 2013; Champagne & Meaney, 2006; Liu e.a., 1997) naar het effect van zorggedrag waarin duidelijk werd geobserveerd dat het zorggedrag (‘licking and grooming’) van moederratten een regulerend effect heeft op de fysiologie maar ook op het gedrag van haar nageslacht. De processen worden ‘verborgen’ genoemd omdat ze niet meteen zichtbaar zijn in een simpele observatie maar enkel covert worden wanneer de omstandigheden ervoor zorgen dat ze niet kunnen optreden. Dus zoals in een situatie van separatie (Hofer, 1994). De ritmische cycli van regulatie van de moeder naar de baby door het aanbieden van warmte, aanraking, voeding en stemgeluid installeren een optimaal functionerend fysiologisch en hormonaal systeem dat aan de basis ligt van de verdere sociaal-emotionele ontwikkeling (Hofer, 1994; 2014). Wanneer de regulatie van de moeder plots wegvalt of ontbreekt, vallen ook stuk voor stuk die sleutelcomponenten bij de baby uit. Vergelijkbaar met het stap voor stap uitvallen van het licht bij een elektriciteitsstoring in een stad.

     Het wegvallen van de natuurlijke regulatie van de moeder vertaalt zich acuut in cardiorespiratoire en hormonale ontregeling (e.g. groeihormoon, cortisol), verstoord eetgedrag en separatie-distress-vocalisaties (Christensson e.a., 1995) en op lange termijn in verstoord sociaal-emotioneel gedrag, bij mannetjesdieren als adolescent binnen een roedel, als vrouwtjesdieren binnen de moeder-jongrelatie (e.g. Champagne, 2013). Dit is wat zich in de wetenschap conceptualiseerde tot epigenetische effecten (e.g. Champagne, 2010; 2013; Champagne & Meaney, 2006; Hofer, 1994; 2014). Epigenetica verwijst naar een interactieproces tussen nature en nurture, met name naar omgevingsafhankelijke veranderingen in genetisch materiaal door het ‘aan- of uitzetten’ van bepaalde genen als respons op omgevingsinvloeden of gebeurtenissen.

     Champagne & Mashoodh (2009) vergelijken het met een bibliotheek. De boeken kunnen er wel allemaal in staan maar sommige boeken worden veelvuldig gelezen en andere blijven eindeloos onder het stof staan. Zo kan het ontvangen van zorg van de moeder (nurture) door de baby veranderingen teweeg brengen in diens genen (nature) en gedrag (e.g. Hofer, 2014; Schmeets, 2014). Het is de kracht van wat Geuzinge (2014) omschrijft als interpersoonlijke neurobiologie. Die warmte en omringing net na de geboorte ontketenen een kettingreactie van synapsen die dienen als basis voor het verankeren van onze ontogenetische wortels van gehechtheid door verbindingen te creëren tussen ons subcorticaal en corticaal prefrontaal brein (Nelson & Panksepp, 1998; Schore, 1994; Siegel, 1999) en het aan- en uitzetten van genen (Hofer, 2014). Vroege multisensorische emotionele herinneringen die worden opgeslagen situeren zich daarom hoofdzakelijk in olfactorische, somatosensorische en auditieve regio’s van ons brein (Nelson & Panksepp, 1998; Walker & McGlone, 2013). Met andere woorden: geur, aanraking en stemgeluid zijn cruciaal in de vorming van onze ontogenetische sociaal-emotionele wortels en verschaffen er ook toegang toe.

     Inzicht in de biologische noodzaak van hidden regulators wordt verschaft door het concept ‘the stress of being born’ (Bystrova e.a., 2003; Winberg, 2005). Als mens zullen we nooit in ons leven méér alert zijn dan net na de geboorte (Lagercrantz & Bistoletti, 1977). In de navelstreng van pasgeboren baby’s is het catecholamineniveau tot tien maal hoger dan normaal bij volwassenen (Lagercrantz & Bistoletti, 1977), een sympatisch-adrenale activatie die een soort wake up call-functie vervult voor het brein en de pasgeborene ondersteunt in de activatie van de longen en het glucose-metabolisme (Bystrova e.a., 2003). Maar nadat die sympatisch-adrenale activatie haar levenswekkende taak heeft uitgevoerd, moet het fysiologisch systeem van de baby gereguleerd worden. Er is als het ware een antidotum, een downregulatie of parasympatische mantel nodig om het fysiologisch systeem terug tot rust te brengen. Een mantel van hidden regulators. Onderzoek (Bystrova e.a., 2003; Christensson e.a., 1995) toonde aan hoe huid-op-huidcontact na de geboorte zulk een mantel biedt en de thermoregulatie bij baby’s bevordert, gemedieerd door zoals hierboven beschreven para-sympatische regulerende ‘anti-dotum’-mechanismen. Christensson e.a. (1995) schrijven deze parasympatische thermoregulatie vooral toe aan het proces van vasodilatatie waardoor warmte zou vrijgegeven worden tot in de uiterste lichaamsdelen van de baby (voetjes en handjes). Dit gunstige effect van huid-op-huidcontact is de basis geworden van kangoeroezorg bij prematuur-baby’s waarvan iedereen ondertussen de positieve impact op groei en overlevings-kansen kent (e.g. Boundy e.a., 2016).

     In eigen onderzoek (Van Puyvelde e.a., 2015) brachten we enkele hidden regulators in kaart op fysiologisch en vocaal niveau. Met betrekking tot fysiologie stelden we vast dat jonge baby’s in staat zijn zich aan te passen aan fysiologische ritmen van arousal en parasympatische regulatie van hun moeder, enkel en alleen door rustig bij hen op het bovenlichaam te liggen. In het experiment werd aan moeders gevraagd om in blokken van twee minuten volgens bepaalde opgelegde snelheden te ademen, van een heel traag (zes cycli per minuut [cpm] om veel parasympatische regulatie uit te lokken) tot heel snel (twintig cpm om arousal uit te lokken), opnieuw naar heel traag (zes cpm). De parasympatische activiteit in de moeders vertoonde, volgens hypothese, een U-vorm (hoog tijdens trage cycli, laag tijdens snelle cycli en opnieuw hoog bij de laatste herhaling van de trage cyclus). Maar het bijzondere was dat hun baby’s dit regulatie-responspatroon kopieerden door zich te laten sturen door moeders hartritme. Parasympatisch gestuurde vertragingen in de hartslag van moeder werden gevolgd in hartslagreductie van de baby. Deze fysiologische spiegelingen of hidden maternal regulators deden hun werk tot de leeftijd van acht weken. Op twaalf weken, de leeftijd dat baby’s zich gaan richten  naar de sociale wereld, was er geen spiegeling meer (zie Fig. 1).

Figuur 1. Parasympatische regulatie tijdens een paced breathing-experiment

 

Betekent dit dat baby’s  met twaalf weken ongevoelig worden voor fysiek contact? Integendeel. In ons meest recente onderzoek (Van Puyvelde e.a., 2017) waarin we de impact van zachte aanrakingen van moeder op de fysiologische gebeurtenissen bij zowel moeder als baby onderzochten, stelden we vast dat het affectief aaiend aanraken parasympatische activiteit in baby’s stimuleert, ook na de leeftijd van twaalf weken. Bovendien blijkt dat, enkele minuten na een episode van aanraken, die parasympatische en arousal regulerende activiteit in de baby nog blijft stijgen, dus zelfs wanneer moeder al gestopt is (Van Puyvelde e.a., 2017; Fig. 2).

 

Figuur 2. Impact van aanrakingen van de moeder op de parasympatische regulatie van baby’s voor, tijdens en na een korte periode van affectieve aanraking

 

Maar er blijken nog meer factoren mee te spelen. Namelijk de eigen geschiedenis, het eigen lichaamsgeheugen en het comfort met lichaamscontact dat moeders gedurende hun leven opbouwden. De mate waarin moeders zich comfortabel voelen bij aanraking in hun eigen leven en de mate waarin aanraking aanwezig was in de kindertijd in combinatie met de validatie die hieraan gegeven wordt, blijkt gerelateerd te zijn met zowel de eigen parasympatische regulatie als die van de baby (Van Puyvelde e.a., 2017).

     Dit laatste is interessant, zowel met betrekking tot de eerder vermelde studies waarin de impact van vroege ervaringen van licking and grooming in ratten zichtbaar was in het eigen zorggedrag en in de reacties van de jongen, als met betrekking tot de gevoelens die Miriam ervoer tijdens het eerste contact met haar baby. Het feit dat moeders die meer positieve aanraking tijdens hun kindertijd ervoeren een verhoogd parasympatisch niveau blijken te vertonen, kan ondersteuning bieden voor twee belangrijke aspecten. Enerzijds waarom moeders die een positief beeld rond aanraking konden opbouwen mogelijk een belonend regulerend effect ervaren bij lichaamscontact met hun eigen baby. Anderzijds kan het een illustratie bieden voor de impact van epigenetische processen op de cardiorespiratoire regulatie van mensen tot in de tweede generatie.

     Kunnen epigenetische processen zich dan werkelijk nestelen op celniveau zodat ze meebouwen aan onze regulatie en aan een intergenerationeel lichaamsgeheugen? Bezitten wij dus ook een intergenerationele interpersoonlijke databank zoals de Groenlandse haai waarmee we kennismaakten in de start van dit artikel? Ik denk dat het antwoord hierop volmondig ja is. Dat er zoiets bestaat als een cellulair lichaamsgeheugen en ‘emotionele moleculen’, werd al langer gehypothetiseerd door Pert (e.g. Pert, 1997; Pert e.a., 1985). Maar hoe kan op cellulair niveau omgevingsinformatie die door het organisme als belangrijk wordt geacht worden geïntegreerd tot een nieuwe intergenerationele genetische handtekening? Een nieuwe hypothetische verklaring voor deze mysterieuze inverse werking op cellulair niveau waarbij informatie buiten een cel veranderingen binnen een cel teweeg kan brengen, wordt door Schmeets (2014) aangereikt via de mechanismen die werkzaam zijn in zogenaamde prion-cellen. Prion-cellen (Prusiner, 1998) werden ontdekt als de boosdoeners in het ziek maken van cellen bij besmetting door de ziekte van Creutzfeld-Jakob, maar blijken te tonen hoe er ‘messengers’ bestaan die informatie van buiten naar binnen een cel kunnen vervoeren. Boodschappers die geen wachtwoord van ons lichaam hoeven te kennen, waarvoor de ophaalbrug zondermeer blijft neerliggen.

Het verborgen lied van ‘hidden regulators’ in ons lichaam

Al deze fysiologische afstemmingen lijken een natuurlijke ritmiek te volgen; cycli, zoals Hofer (1994) het reeds beschreef. Het ritme van het leven wordt geïnstalleerd vanaf het prille begin in interactie met dat leven. De ritmische oscillaties van moeders hart en ademhaling, zoals hierboven beschreven, maar ook haar stem en bewegingen, nodigen de baby uit ten dans. De interactie tussen moeders en baby’s werd reeds meermaals vergeleken met de dynamiek van een jazz-improvisatie (Dissanayake, 2000; Gratier & Apter-Danon, 2008; Schögler, 1998) waarin de stem een centrale rol blijkt te spelen (e.g. Gratier, 2003; Gratier & Apter-Danon, 2008; Malloch & Trevarthen, 1999/2000; Van Puyvelde e.a., 2010; 2013; 2015b). Hun stem en vocale interacties zoeken elkaar in een improviserende wirwar of mozaïek van klanken en melodielijnen synchroon met hun emotioneel niveau van afstemming (Van Puyvelde e.a., 2013). Bovendien incarneert ook dit mozaïek van ritme en melodie een intergenerationele geschiedenis. Zo werd in onderzoek van Gratier (2003) aangetoond hoe de timing tussen geïmmigreerde Indische moeders in de Verenigde Staten en Frankrijk en hun baby’s tijdens dialoogvorming een mix vormt tussen de typische timing van Indische moeders en die van Franse en Amerikaanse moeders.

     De stem van de moeder vormt voor een baby een brug tussen diens prenatale en postnatale periode. Postnataal zijn baby’s gretig om opnieuw op zoek te gaan naar de muziek van de stem die ze in een prenataal preludium leerden kennen. In eigen onderzoek (Van Puyvelde e.a., 2010; 2013; 2015b) stelden we vast dat moeders en baby’s zich in toonhoogte op elkaar afstemmen. Ze zoeken klanken op die harmoniëren of ‘tonaal synchroniseren’ (Van Puyvelde e.a., 2010). Die momenten van tonale synchroniciteit blijken gepaard te gaan met matchen en spiegelingen in de nonverbale lichaamstaal (Van Puyvelde e.a., 2013) en fysiologische regulatie (Van Puyvelde e.a.., 2014b). Dit gehele leerproces van multisensorische communicatie wordt minuscuul opgeslagen; zowel de succesvolle als niet-succesvolle danspassen; zowel de momenten van herstel als de scheurtjes en breuken. En het is juist de kracht van deze bijzondere dans die ons soms manieren aanreikt om in therapie toch te kunnen afstemmen op een emotionele onderstroom, zelfs wanneer het praten gestokt is, zoals in de casus van Miriam en haar gezin.

Ritme en melodie als ingangspoort in moeder-baby-groepstherapie

In een vijf weken durend project op de Moeder-Baby Eenheid in PC Bethanië te Zoersel (Van Puyvelde e.a., 2014b) gingen we op zoek naar die bijzondere dans. In deze unit verblijven moeders met postnatale depressie samen met hun baby. Het project ontstond in samenwerking met de Universidade Nova Lisboa en was gebaseerd op het ‘BebéBabá-project’ (Rodrigues e.a., 2008; Rodrigues e.a., 2010) enerzijds, en op onze bevindingen omtrent de emotionele herstelfunctie van tonale synchroniciteit anderzijds (Van Puyvelde e.a., 2010; 2013; 2014b). BebéBabá is een project dat werd opgezet in Portugal met als doel ouders te stimuleren om zelf de rol van artiest op zich te nemen en via muziek verbinding te maken met hun baby. Tijdens onze sessies praatten we nooit, enkel de taal van het lichaam was aanwezig. Geen aansporingen, instructies of adviezen; enkel ‘zijn’ en ‘worden’ op het ritme van de improvisaties die spontaan ontstonden tussen baby’s en moeders. Micro-analyses toonden een immens positieve impact van de sessies op de moeder-babyinteractie. Momenten van wederzijdse betrokkenheid verdubbelden niet alleen van sessie 1 naar sessie 5; ze werden ook kwaliteitsvoller en bleken bovendien evenwichtig verdeeld over een ganse sessie (Van Puyvelde e.a., 2014b). De improvisaties creëerden een muzikale oceaan waarop moeders en baby’s aanvankelijk kort en voorzichtig kwamen surfen, om dan gaandeweg hun eigen moeder-babyoceaan te vormen en elkaars lichaamsalfabet te exploreren en gestalte te geven (Van Puyvelde, 2014a).

Het lichaamsalfabet als ingangspoort naar wortels van belonging:

To open or close the gate, that’s the question

In wetenschappelijke taal gaat het erover om verbinding te maken tussen wat ooit filosofisch gescheiden werd door Descartes: de geest en het lichaam. Lichaam en geest zijn onlosmakelijk verbonden met elkaar en een herinnering – zij het positief of negatief, euforisch of traumatisch – is pas doorwerkt wanneer ze een geïntegreerde betekenis heeft gekregen. Wanneer de herinnering ‘gedacht’ maar ook ‘gevoeld’ wordt. Wanneer ze mag bestaan in zowel geest als in het lichaam.

     In de zogenaamde theoretische neuroviscerale integratiemodellen (Thayer & Lane, 2000; 2009) wordt beschreven hoe de integratie tussen brein en lichaam ons in staat stelt om op uitdagingen en stress in de omgeving te reageren. Deze flexibilitieit ten opzichte van omgevingsfactoren is enkel mogelijk wanneer het lichaam de geest begrijpt, en omgekeerd. Deze flexibiliteit wordt laag per laag door de ontwikkeling opgebouwd en wordt weerspiegeld in onze capaciteit tot parasympatische regulatie zoals hierboven beschreven. Een regulatie die zowel top-down als bottum-up werkt en die in beide richtingen informatie vanuit eigen geschiedenis verzamelt. Een regulatie die een weerspiegling van onze ontwikkeling is. Dit wordt wondermooi geïllustreerd in het werk van Perry & Szalavitz (2006), waarin herhaaldelijk beschreven wordt hoe het tijdstip van een trauma te lezen valt in ons gedrag, zoals bijvoorbeeld een eigenaardige manier van lopen. Of hoe we herhaalde ervaringen nodig kunnen hebben, niet in overeenstemming met onze chronologische leeftijd, maar met de behoeften van een gestrande emotionele ontwikkelingsleeftijd, ‘de behoeften die de leeftijd weerspiegelen waarop belangrijke prikkels gemist werden’ (p. 152). 

     Het zijn deze mechanismen die maken dat ghosts gewekt kunnen worden, zoals bij mama Miriam. Of zoals bij de net gescheiden Julie, die in een nieuwe verliefdheid beseft dat ze reeds haar hele leven op zoek is naar de omhelzing die ze als baby heeft moeten missen. En wiens lichaam opnieuw getraumati-seerd achterblijft wanneer de verliefdheid mogelijks niet de capaciteit tot liefde blijkt te bieden Eens de deur geopend, kan ze niet meer gesloten worden. Die open deur kan als levensbedreigend ervaren worden en een suïcidale wens genereren, omdat het een massale overspoeling met zich kan meebrengen.

     Het is de kracht van de huidige binge-watching reeks ‘Stranger Things’ (onder andere op Netflix), namelijk het metaforisch verlangen om met de bovennatuurlijke kracht van het personage ‘Eleven’ de poort opnieuw te kunnen sluiten indien de cyclopische energie die erachter schuilt te schrikwekkend en verslindend dreigt te worden. Maar net zoals in ‘Stranger Things’ de donkere monsters achter de gesloten poort blijven verder kreunen als een cliffhanger naar een volgende reeks, blijven ook onze dieptraumatische herinneringen verder smeulen. Daarom is het zo belangrijk om trauma’s en wortels bestaansrecht te geven. Want net als de Groenlandse haai kunnen ze wegzinken naar de diepte, naar de stille donkere zeebodem van de eigen oceaan.

     Maar wat veel mensen niet weten is dat de Groenlandse haai niet alleen herinneringen maar ook afvalstoffen verzamelt. Door de afwezigheid van nieren kan de haai zijn afvalstoffen niet kwijt en worden die levenslang bewaard in het immense lichaam. Het is onze taak, als therapeut, maar ook als volwassene in het leven, om erover te waken dat onze nieren hun werk kunnen doen. Om dat intergenerationeel kolossaal lichaam aan de praat te houden. Het bevrijden van klank en beleving uit onze geïntegreerde opslag van herinneringen in lichaam en brein op een gedoseerde en veilige manier in het hier en nu is van cruciaal belang in het verder functioneren. Actuele triggers in het hier en nu kunnen vroegere moeilijke levensgebeurtenissen identificeren en verwerken die aan de basis liggen van huidige klachten (e.g. Shapiro, 2002).

     Om een uitweg te bieden aan negatieve cognitieve connotaties waarin men dreigt vast te komen zitten, kan het lichaam dus als een belangrijke gids fungeren. Oude kwetsuren die niet op schoot worden genomen en gewiegd worden door empathie voor de eigen geschiedenis –zoals Bosch (2005) het noemt – kunnen anders diepe snijwonden maken. Ze riskeren uiteindelijk tranen van kwaadheid en verbittering omdat het verdriet als onoverkomelijk verslindend wordt beleefd. Ze kunnen de bron zijn van wat we omschrijven als psychosomatische aandoeningen zoals somatisch-symptoomstoornissen, ziekte-angststoornissen en conversiestoornissen (O’Sullivan, 2015). Ze zijn een cruciaal deel van het grote verhaal waarin het lichaam vertelt wat het brein was vergeten


Ik wil graag dankzeggen aan Jean-Marie Govaerts – supervisor en vriend – en Joke Houthuys – psychotherapeute en vriendin – voor hun gedetailleerde feedback, associaties en aanvullingen met betrekking tot traumaliteratuur.


Samenvatting

In dit artikel wordt op zoek gegaan naar een integratie van gangbare concepten fundamenteel binnen het infant mental health-denken -zoals ‘ghosts of the nursery’ en ‘hidden maternal regulators’- en een multidisciplinaire waaier van interpretatiekaders. Met behulp van casusmateriaal uit eigen praktijk en eigen onderzoeksbevindingen wordt een verbredend kader geschetst dat een theoretische verbinding biedt tussen neurobiologie, psychofysiologie, systeemtherapeutisch denken, lichaamsbeleving en muziek. Er wordt in het bijzonder aandacht geschonken aan hoe vroege slapende impliciete en soms traumatische herinneringen kunnen worden opgeslagen in een ‘lichaamsalfabet’. Het lichaamsalfabet vormt een brug naar wortels van afkomst en kan worden wakker gemaakt door emotionele triggers in het heden.

Literatuur

Boundy, E.O., Dastjerdi, R., Spiegelman, D., e.a. (2016). Kangaroo mother care and neonatal outcomes: a meta-analysis. Pediatrics, 137 (1), e20152238.

Bystrova, K., Widstrom, A.M., Matthiesen, A.S., e.a. (2003). Skin-to-skin contact may reduce negative consequences of ‘the stress of being born’: A study on temperature in newborn infants, subjected to different ward routines in St. Petersburg. Acta Paediatric, 92 (3), 320–326.

Champagne, FA. (2010). Epigenetic influence of social experiences across the lifespan. Developmental Psychobiology, 52, 299-311.

Champagne, F.A. (2013). Effects of stress across generations: why sex matters. Biological Psychiatry, 73, 2-4.

Champagne, F.A. & Mashoodh, R. (2009). Genes in context: Gene-environment interplay and the origins of individual differences in behavior. Current Directions in Psychological Science, 18 (3), 127-131.

Champagne, F.A. & Meaney, M.J. (2006). Stress during gestation alters postpartum maternal care and the development of the offspring in a rodent model. Biological Psychiatry, 59, 1227-1235.

Christensson, K., Cabrera, T., Christensson, E., e.a. (1995). Separation distress call in the human neonate in the absence of maternal body contact. Acta Paediatrica, 84 (5), 468-473.

Dissanayake, E. (2000). Art and intimacy: How the arts began. Washington: University of Washington Press.

Fraiberg, S., Adelson, E., & Shapiro, V. (1975). Ghosts in the nursery: A psychoanalytic approach to the problems of impaired infant-mother relationships. Journal of the American Academy of Child Psychiatry, 14 (3), 387-421.

Geuzinge, R. (2014). Specifieke veranderingen in het brein door de niet-specifieke factoren van de psychotherapeutische relatie. Een overzicht vanuit een interpersoonlijk neurobiologisch perspectief. Tijdschrift cliëntgerichte psychotherapie, 52, 1.

Gratier, M. (2003). Expressive timing and interactional synchrony between mothers and infants: Cultural similarities, cultural differences, and the immigration experience. Cognitive Development, 18 (4), 533-554.

Gratier, M. & Apter-Danon, G. (2008). The improvised musicality of belonging: Repetition and variation in mother-infant vocal interaction. In S. Malloch & C. Trevarthen (eds.), Communicative musicality: Exploring the basis of human companionship. Oxford: Oxford University Press.

Hellstrom, I.C., Dhir, S.K., Diorio, J.C. & Meaney, M.J. (2012). Maternal licking regulates hippocampal glucocorticoid receptor transcription through a thyroid hormone-serotonin-NGFI-A signaling cascade. Philosophical Transactions of the Royal Society B, 367 (1601), 2495-2510.

Hofer M.A. (1994). Hidden regulators in attachment, separation, and loss. Monographs of the Society for Research in Child Development, 59 (2/3), 192-207.

Hofer, M.A. (2014). The emerging synthesis of development and evolution: a new biology for psychoanalysis. Neuropsychoanalysis, 16 (1), 3-22.

Lagercrantz, H. & Bistoletti, H. (1977). Catecholamine release in the newborn infant at birth. Pediatric Research 11 (8), 889-893.

Liu, D., Diorio, J., Tannenbaum, B., e.a. (1997). Maternal care, hippocampal glucocorticoid receptors, and hypothalamicpituitary-adrenal responses to stress. Science, 277, 1659-1662.

Malloch, S.N. (1999-2000). Mothers and infants and communicative musicality [Special Issue]. Musicae Scientiae: Rhythm, Musical Narrative and Origins of Human Communication, 29-57.

Nelson, E.E. & Panksepp, J. (1998). Brain substrates of infant-mother attachment: contributions of opioids, oxytocin, and norepinephrine. Neuroscience and Biobehavioral Reviews 22 (3), 437-452.

Parsons, M.J., Holley, D. & McCauley, R.D. (2013). Source levels of dugong (Dugong dugon) vocalizations recorded in Shark Bay. The Journal of the Acoustical Society of America, 134 (3), 2582-2588.

Perry, B.D. & Szalavitz, M. (2006). De jongen die opgroeide als hond en andere verhalen uit de praktijk van een kinderpsychiater. Schiedam: Scriptum.

Pert, C. (1997). Molecules of Emotion. New York: Touchstone Books.

Pert, C.B., Ruff, M.R., Weber, R.J. & Herkenham, M. (1985). Neuropeptides and their receptors: a psychosomatic network. The Journal of Immunology, 135 (2), 820S-826S.

Prusiner, S.B. (1998). Prions. Proceedings of the National Academy of Sciences, 95 (23), 13363-13383.

Rodrigues, H., Leite, A., Faria, C., e.a. (2010). Music for mothers and babies living in a prison: a report on a special production of ‘BebéBabá’. International Journal of Community Music, 3 (1), 77-90.

Rodrigues, H., Rodrigues, P.M., & Correia, J.S. (2008). Communicative musicality as creative participation: From early childhood to advanced performance. In S. Malloch & C. Trevarthen (Eds.), Communicative musicality: Exploring the basis of human companionship. Oxford: Oxford University Press.

Schaefer, M., Hatcher, R.P. & Barglow, P.D. (1980). Prematurity and infant stimulation: a review of research. Child Psychiatry & Human Development, 10, 199-212.

Schögler, B. (1998). Music as a tool in communications research. Nordic Journal of Music Therapy, 7 (1), 40-49.

Schore, A.N. (1994). Affect Regulation and the Origin of the Self: The Neurobiology of Emotional Development. Hillsdale (NJ): Lawrence Erlbaum Associates.

Schmeets, M.G. (2014). About epigenetics and the central dogma of molecular biology. Neuropsychoanalysis, 16 (1), 45-48.

Swain, J.E., Lorberbaum, J.P., Kose, S. & Strathearn, L. (2007). Brain basis of early parent-infant interactions: psychology, physiology, and in vivo functional neuroimaging studies. Journal of child psychology and psychiatry, 48 (3/4), 262-287.

Siegel, D.J. (1999). The developing mind (Vol. 296). New York: Guilford Press.

Stroksnes, M. (2016). Shark drunk. The Art of Catching a Large Shark from a Tiny Rubber Dinghy in a Big Ocean. New York: Knopf/Penguin.

Thayer, J.F. & Lane, R.D. (2000). A model of neurovisceral integration in emotion regulation and dysregulation. Journal of Affective Disorders, 61 (3), 201-216.

Thayer, J.F. & Lane, R.D. (2009). Claude Bernard and the heart-brain connection: Further elaboration of a model of neurovisceral integration. Neuroscience & Biobehavioral Reviews, 33 (2), 81-88.

Van Puyvelde, M. (2014). Echo’s van boventonen: Spontane muzikaliteit als een toegangspoort naar intersubjectiviteit. Tijdschrift voor Muziektherapie, Sep 2014.

Van Puyvelde, M., Gorissen, A., Pattyn, N. & McGlone, F. (2017). ‘Touch-stars’: the impact of maternal touch on mother-infant cardiorespiratory co-regulation. The 2nd International Association for the Study of AffectiveTouch, 1st-3rd September, 2017, Liverpool John Moores University, L3 3AF.

Van Puyvelde, M., Vanfleteren, P., Loots, G., e.a. (2010). Tonal synchrony in mother-infant interaction based on harmonic and pentatonic series. Infant Behavior and Development, 33 (4), 387-400.

Van Puyvelde, M., Loots, G., Vinck, B. e.a. (2013). The interplay between tonal synchrony and social engagement in mother-infant interaction. Infancy, 18 (5), 849-872.

Van Puyvelde, M., Rodrigues, H., Loots, G., e.a. (2014a). Shall we dance? Music as a port of entrance to mother-infant intersubjectivity in a context of postnatal depression. Infant Mental Health Journal, 35 (3), 220-232.

Van Puyvelde, M., Loots, G., Vanfleteren, P., e.a. (2014b). Do you hear the same? Cardiorespiratory responses between mothers and infants during tonal and atonal music. PlosOne, 9, DOI: 10.1371/journal.pone.0106920.

Van Puyvelde, M., Loots, G. Meys, J., e.a. (2015a). Whose Clock Makes Yours Tick? How Maternal Cardiorespiratory Physiology Influences Newborns’ Heart Rate Variability. Biological Psychology, 108, 132-141.

Van Puyvelde, M., Loots, G., Gillisjans, L., e.a. (2015b). A cross-cultural comparison of tonal synchrony and pitch imitation in the vocal dialogues of Belgian Flemish-speaking and Mexican Spanish-speaking mother-infant dyads. Infant Behavior & Development, 40, 41-53.

Walker, S. & McGlone, F. (2013). The social brain: Neurobiological basis of affiliative behaviours and psychological well-being. Neuropeptides, 47, 379-393.

Willi, J. (1982). Couples in collusion (Vol. 1). Lanham (Maryland): Jason Aronson.

Wilson, D.A. & Sullivan, R.M. (1994). Neurobiology of associative learning in the neonate: early olfactory learning. Behavioral and neural biology, 61 (1), 1-18.

Winberg, J. (2005). Mother and newborn baby: mutual regulation of physiology and behavior – a selective review. Developmental psychobiology, 47 (3), 217-229.

 

[1] ‘Hidden maternal regulators’ werden tot nog toe toegeschreven aan de moeder-babyrelatie vanuit de logische rode draad van intra-uterine naar extra-uterine regulatie bij de moeder. Niets wijst er echter op dat gelijkaardige processen niet tussen vaders en baby’s kunnen plaatshebben, ondanks het ontbreken van die gedeelde intra-uterine geschiedenis. Momenteel loopt hier onderzoek naar in ons BabyLab (Van Puyvelde, Collette, Gorissen e.a., in process, VUB-ULB-Klankendaal BabyLab).