“Bij supervisie moet je helikopteren over behandelingen van iemand anders. Het dwingt je om over je vak na te denken en dat is kwaliteitsbevorderend”, zo klinkt een rake samenvatting van supervisie bij de VKJP in de woorden van een ervaren supervisor.

Supervisie is meer dan een verplichting voor kinder- en jeugdpsychotherapeuten, tijdens of direct na de afronding van hun opleiding. Supervisie borgt de kwaliteit van het vak onder de aanstormende generatie van vakgenoten en geeft seniore therapeuten een mooie gelegenheid om kennis en ervaring door te geven.

Drie supervisors
aan het woord

Drie VKJP-supervisors delen die mening over hun rol in het bewaken van de kwaliteit en ontwikkeling van het vak kinder- en jeugdpsychotherapie, waarmee het supervisorschap een belangrijke steunpilaar is van deze, centrale doelstelling van de VKJP. Deze drie van de bijna tweehonderd VKJP-supervisoren lichten toe hoe de relatie supervisor-supervisant werkt, en hoe ze er zelf mee omgaan: Wieneke Goenee, oud-voorzitter van de VKJP en klinisch psycholoog, psychotherapeut en p-opleider bij Arkin (Amsterdam), Merijn Merbis, klinisch psycholoog en psychotherapeut bij de Opvoedpoli (Amsterdam) en bij Plein20, en Krista Schaeffer-van Leeuwen, directeur zorg en hoofdbehandelaar bij Melody PsyCare GGZ (Dinxperlo, Doetinchem, Arnhem).

Professionele en persoonlijke
vorming

Krista Schaeffer: “Professionele en persoonlijke vorming horen er zeker bij.”“Supervisorschap is een hele mooie manier om vakkennis en ook ervaringskennis aan iemand door te geven”, zegt Krista Schaeffer. “Leren op basis van ervaring is juist bij het leren van psychotherapieën van groot belang. Je kunt de theorie leren, maar het is ook heel belangrijk om in de praktijk ermee aan de slag te gaan en dat te toetsen aan een ervaren behandelaar die daar vragen over kan stellen: over hoe je dat als persoon doet, en ook over hoe je de technieken en de kennis in de praktijk brengt. Het gaat dus over de praktijk, maar professionele en persoonlijke vorming horen er zeker ook bij.”
Merijn Merbis: “Bij supervisie gaat het vooral over reflecteren, ontwikkeling. En het is beschouwelijk: hoe verhoud je je tot de cliënt, enzovoort. Een beetje afhankelijk van in welke fase van de opleiding de supervisanten zitten, verschilt mijn insteek. Concreet aan de hand van casuïstiek kan het ook gaan over therapeutische techniek en methodiek. Ik zoom in en uit.”

Vak doorgeven
Wieneke Goenee: “Psychotherapeuten bewustmaken hun persoonlijke therapeutische aanpak.”Wieneke Goenee vindt het “superbelangrijk is dat je je vak doorgeeft. Maar van de supervisanten kun je ook steeds iets leren – het blijft een wisselwerking. Als er iets veranderd is in de afgelopen jaren dan zijn het wel de opleidingen. De eisen die nu worden gesteld zijn heel anders dan in de tijd dat ik mijn opleiding deed. Je werkt tegenwoordig met een hele lijst prestatie-indicatoren. Dat geeft meteen aan dat het onderwijs prestatiegerichter is geworden. Je moet dus voldoen aan tientallen vaardigheidseisen die goed omschreven zijn. Toen ik dat voor het eerst zag keek ik er wel even van op – in mijn tijd was dat allemaal nog niet zo precies gedocumenteerd. En die eisen zijn hoog. Een bepaalde vaardigheid – bijvoorbeeld empathie – die moet je wel bij vier verschillende stoornissen gedaan hebben, en binnen een bepaalde tijd. Ik zie natuurlijk ook wel dat het onderwijs van tegenwoordig hieruit bestaat: puntenlijsten, presteren en documenteren horen erbij. Het past bij de beheersing van kwaliteit en bij transparantie: men wil weten wat zo’n erkende therapeut nou eigenlijk doet. En terecht.”

De factuur:
2 uur per sessie

Merijn Merbis: “VKJP-opleiding onderscheidt zich met aandacht voor reflectie.”Supervisie vindt in de regel plaats aan de hand van casuïstiek en het proces van de behandeling. “Meestal volg je een of meerdere behandelingen van de supervisant gedurende een bepaalde periode, tijdens of vlak na de opleiding. In andere gevallen is het kortdurend, even kort meekijken bijvoorbeeld in een casus waarin een supervisant vastloopt, of waarin hij vragen heeft of specifieke expertise mist. Of bij een psychotherapeut die zich wil specialiseren”, aldus Schaeffer die haar supervisie bij voorkeur verdeelt in sessies van anderhalf uur met intervallen van twee à drie weken. Ze geeft na iedere sessie feedback op het verslag van de supervisant en betrekt daarbij graag de relevante literatuur. Per sessie met nazorg declareert ze twee uur. Het supervisiedrietal is het erover eens dat drie à vier supervisies per jaar wel de limiet is. Wachtlijsten voor supervisie kennen ze niet, want als ze vol zitten – dat is bij Merbis het geval – biedt het VKJP-netwerk altijd de mogelijkheid om een alternatieve supervisor aan te bevelen.

Persoonlijke stijl
Het gereedschap in de psychotherapie is de therapeut zelf, en niet iets dat je uit een gestandaardiseerde toolbox haalt. Volgens Goenee gaat het tijdens de supervisie vaak over dit aspect: “Je zult op de hoogte moeten zijn van hoe jij reageert, hoe je contact legt, of je een snelle of een langzame denker bent. Hoe je je daarin dan kunt aanpassen. Want jij bent misschien wel steeds dezelfde, maar je krijgt een hele grote variëteit aan mensen voor je waarop je wellicht telkens anders zult reageren.”
“Waar ik het zie haal ik het eruit tijdens de supervisie. Dan vind ik het mooi om die therapeut, de supervisant, te laten zien hoe hij in elkaar zit en hoe hij reageert. Ik ga dat niet heel precies uitleggen, zo van: hier is jouw gebruiksaanwijzing, maar we zijn dan wel zo aan het werk dat iemand zijn eigen handleiding kan samenstellen. Het is geen leertherapie, maar we benoemen wel de dingen waar je van kunt leren. Neem een beeldhouwer die steeds maar weer zwarte beelden maakt. Dan zeg je op een gegeven moment: wat ben je voor beelden aan het maken? En zo iemand wordt zich vervolgens bewust van zijn keuzes in zijn werk. En zo maak ik psychotherapeuten ook bewust van hoe ze het aanpakken in hun therapieën. Wat hun persoonlijke stijl is.”
Schaeffer: “Toevallig kreeg ik net feedback van iemand die heel enthousiast was over de supervisie. Met name omdat ze nu beter begreep waarom ze als persoon deed wat ze deed in haar behandelingen, en daarnaast dat ze ook woorden kreeg voor haar aanpak, voor datgene dat ze eigenlijk intuïtief al deed. Ze werd zich bewust van wat ze nou eigenlijk aan het doen was.”

Jeugd versus volwassenen
Alle drie de supervisors hechten veel belang aan de specialisatie kinderen en jeugd. Goenee denkt dat de verbinding met de jeugd- met de volwassenenpraktijk nog wel wat sterker kan: “De volwassenenopleidingen kunnen als keuzevak een blok jeugd kiezen. Daar ben ik zo’n fan van! Want al die volwassenen zijn ooit kind geweest. En veel van hun problematiek komt uit de kinderjaren. Ik vind het mooi om aan studenten te laten zien hoe het is om een kind als het ware vorm te geven, en te laten zien hoe dat eruitziet en dat je aanpak daarom echt anders is dan bij een volwassene. Als je het daarover hebt tijdens de supervisie, zie je het gewoon gebeuren: kijk hier loopt het mis, en hier kun je het oppakken, of repareren… En andersom is het ook zeker van belang dat wij kennis uit de volwassenenpraktijk tot ons nemen. Bij de VKJP hebben we de adolescentie altijd al veel aandacht gegeven en tenslotte werken we ook veel met ouders en andere volwassenen.”

Niet stoppen bij 18
Ook Merbis is voorstander van het combineren van kennis uit de kinder- en jeugdpraktijk met die uit de volwassenenpraktijk. “Bij de Opvoedpoli aan het Surinameplein werkt dat heel succesvol. Zowel in de supervisie voor verpleegkundigen als voor psychotherapeuten is er aandacht voor zowel jeugd als volwassenen. Daarbij gaat het om adolescenten, maar ook om de afstemming van de behandeling van bijvoorbeeld volwassenen en kinderen uit hetzelfde gezin. Dat kan systeemtherapie zijn, maar soms zijn het ook gewoon behandelingen die parallel lopen. Verder ben ik een voorstander van het door laten lopen van de therapie met de ontwikkelingslijn van een jongere. Niet stoppen bij achttien dus, maar doorgaan tot 23- of zelfs 25-jarige leeftijd. Ook omdat de afhankelijkheid bij deze patiënten nog groter is dan op volwassen leeftijd. Dit staat weliswaar volledig haaks op de wetgeving. Maar ja, we moeten wel zorg bieden die past bij de leeftijdsfase en bij het systeem van de jonge patiënt. En als de wetgeving zo weinig klopt met de werkelijkheid van onze patiënten dan moeten we wel ons eigen plan trekken.”